RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2649
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Wel moeten de proceskosten aan eiser worden vergoed. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 en 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 5 staat een beschrijving van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de vragen: is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht, is de minister ten onrechte niet ingegaan op de gestelde problemen van eiser met ‘Indigenous People of Biafra’ (IPOB), mocht de minister de verklaringen van eiser over de problemen naar aanleiding van zijn muziek ongeloofwaardig achten en levert de medische problematiek van eiser een schending van artikel 3 van het EVRM op bij terugkeer naar Nigeria. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Op 5 december 2025 is aan eiser op grond van artikel 64 van de Vw 2000 alsnog uitstel van vertrek verleend tot 5 juni 2026.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is artiest in Nigeria en maakt muziek. In 2020 heeft eiser muziek uitgebracht waarin hij kritiek uit op de Nigeriaanse overheid. Hierna heeft eiser dreigementen ontvangen. Eiser werd er door de Nigeriaanse overheid van beschuldigd dat hij door ‘Indigenous People of Biafra’ (IPOB) werd gesponsord en dat zijn muziek aanzet was voor protesten. Eiser is naar vrienden gevlucht nadat militairen zijn huis waren binnengevallen. Hierna heeft eiser een studentenvisum gekregen en is hij naar Oekraïne gegaan. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiser dat hij zal worden opgepakt door de Nigeriaanse autoriteiten.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser heeft op 4 april 2022 asiel aangevraagd. Eiser viel onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming omdat hij ten tijde van de Russische inval in Oekraïne een studentenvisum had in Oekraïne. Op 2 januari 2025 is de minister begonnen met de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiser, door het aanmeld- en nader gehoor te combineren. Op 13 januari 2025 heeft de minister de asielaanvraag van eiser ongegrond verklaard. In dit bestreden besluit heeft de minister geen terugkeerbesluit genomen, omdat eiser nog onder de bevriezingsmaatregel van het stopzetten van de tijdelijke bescherming viel.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen van eiser met de Nigeriaanse autoriteiten vanwege zijn muziek activiteiten.
De minister heeft het eerste asielmotief, de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn identiteit en nationaliteit aangetoond met documenten. Het tweede asielmotief, de problemen van eiser met de Nigeriaanse autoriteiten vanwege zijn muziek activiteiten, heeft de minister niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn verklaringen over het tweede asielmotief onvoldoende onderbouwd met objectieve documenten. De verklaringen van eiser over het tweede asielmotief vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Daarmee voldoet eiser niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 zodat zijn asielrelaas niet alsnog geloofwaardig wordt geacht. De verklaringen over zijn gestelde problemen in Nigeria zijn summier, vaag en ongerijmd. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt niet dat zijn muziek daadwerkelijk een sterke, politieke boodschap ontvangt. De minister ziet ten slotte niet in waarom eiser in Oekraïne geen asiel heeft aangevraagd om zijn veiligheid zeker te stellen.
Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?
6. Eiser betoogt dat het door de minister toegepaste toetsingskader in strijd is met het Unierecht. De enkele stelling van de minister dat hij het geldende beleid toepast, is een onvoldoende zorgvuldig gemotiveerde weerlegging. Hierbij verwijst eiser naar de prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.
De beroepsgrond dat de door de minister toegepaste, en in werkinstructie 2024/6 opgenomen, geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming is met het Unierecht slaagt niet. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraken van deze zittingsplaats van 25 juni 2025 en van 8 september 2025. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 14 oktober 2025 is geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats is gedaan.
Is de minister ten onrechte niet ingegaan op de problemen die eiser vreest met IPOB?
7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet is ingegaan op de problemen die eiser vreest met IPOB. Eiser vreest voor IPOB omdat hij door hen wordt beschouwd als verrader, aangezien hij met een Nigeriaanse vlag op de cover van zijn muziek stond. Dit is benadrukt in de zienswijze, maar de minister is hier ten onrechte niet op ingegaan in het bestreden besluit.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt dat eiser tijdens het gehoor niet kenbaar heeft gemaakt dat hij problemen heeft gehad met de IPOB en voor de IPOB vreest bij terugkeer. Eiser heeft dit niet genoemd als reden om Nigeria te verlaten. Aan eiser is nog gevraagd of er naast de door hem genoemde redenen nog andere redenen waren voor zijn vertrek. Ook hier heeft eiser de problemen met IPOB niet genoemd. Eiser heeft wel verklaard dat hij door IPOB mensen is beschuldigd als een verrader voor de IPOB, omdat hij in een videoclip te zien is met een Nigeriaanse vlag. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat hij door deze beschuldigingen problemen heeft gehad. Hierbij speelt ook mee dat eiser pas in de correcties en aanvullingen heeft aangegeven te vrezen voor IPOB. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen problemen met IPOB naar voren heeft gebracht die kunnen worden beoordeeld. Omdat niet is gebleken van problemen in het verleden, heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat die er wel zullen zijn bij terugkeer van eiser naar Nigeria.
Mocht de minister de problemen van eiser naar aanleiding van zijn muziek ongeloofwaardig achten?
8. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over dit asielmotief niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000.
Eiser voert daartegen aan dat de minister de problemen van eiser naar aanleiding van zijn muziek ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Dit is door de minister in het voornemen behandeld onder verschillende onderdelen. Deze volgorde houdt de rechtbank hieronder aan.
De inval van militairen in het huis van eiser
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op de verklaringen van eiser over de inval van militairen in zijn in een compound gelegen huis. Eiser verwijst hierbij naar de zienswijze, waarin hij heeft aangegeven dat zijn eigen gemaakte muziek de aanleiding was voor de inval in zijn woning. Deze muziek is door mensen uit zijn woonplaats gebruikt bij de protesten tegen de overheid. Hierover heeft eiser uitgebreid verklaard in het gehoor. Ook heeft eiser gedetailleerd uitgelegd hoe de militairen bij hem door het hek van de compound kwamen. Dat eiser niet kan verklaren hoeveel militairen er waren is niet gek, aangezien eiser zo snel mogelijk weg wilde en zijn (zwangere) vrouw in veiligheid wilde brengen. Omdat de minister zich op het standpunt stelt dat uit de foto’s niet blijkt dat er een inval is geweest, wordt het een soort welles-nietes spel. De minister gaat hierdoor niet gemotiveerd of zorgvuldig in op dat wat eiser heeft betoogd.
In het bestreden besluit heeft de minister het standpunt uit het voornemen ingetrokken voor zover eiser over het aantal militairen dat zijn huis binnenkwam en van welke eenheid zij afkomstig waren, summier zou hebben verklaard. Dit neemt niet weg dat de eindconclusie van ongeloofwaardigheid over de inval overeind blijft. Volgens de minister blijven er voldoende sterke argumenten voor om de verklaringen eiser over de inval ongerijmd te achten.
De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser de inval van de militairen in zijn huis niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het ongerijmd is dat de Nigeriaanse autoriteiten al schietend een huisinval zouden doen op basis van door eiser uitgebrachte muziek. In het voornemen heeft de minister zich hierover niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat los van het feit dat eiser een aantal nummers heeft uitgebracht, niet uit openbare bronnen blijkt dat hij voldoende bekendheid geniet in Nigeria om te zorgen voor impact met zijn boodschap uit de nummers. Ook valt uit de door eiser overgelegde foto’s niet af te leiden dat er daadwerkelijk een inval is geweest en dat de woning en/of bezittingen van eiser zijn vernield door militairen.
De ontvangen bedreigingen van eiser
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser de naar hem geuite bedreigingen niet aannemelijk heeft gemaakt. Deze bedreigingen vonden plaats naar aanleiding van de door eiser uitgebrachte muziek. Bedreigingen gebeuren anoniem, waardoor eiser niet meer kan overleggen dan de reeds door hem overgelegde screenshots. Het valt niet uit te sluiten dat eiser, ten tijde van de bedreigingen, al in de negatieve belangstelling stond van de Nigeriaanse autoriteiten, waardoor niet kan worden uitgesloten dat de bedreigingen afkomstig waren van de autoriteiten zelf. De combinatie van de berichten die eiser ontving en de eerdere inval van de militairen in zijn huis zijn op eiser bedreigend overgekomen. Deze feiten moeten dan ook in onderlinge samenhang worden behandeld.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser over de bedreigingen vaag en ongerijmd zijn. De enkele reacties op de muziek van eiser kunnen niet direct als bedreiging worden bestempeld. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de bedreigingen afkomstig zijn van de Nigeriaanse autoriteiten. Daar is eiser niet in geslaagd. De minister heeft daarnaast niet ten onrechte ongerijmd geacht dat eiser in 2020 in de problemen zou zijn gekomen door zijn muziek, terwijl hij in 2019 al soortgelijke muziek maakte.
De brieven aan de politie
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte ongerijmd acht dat eiser op advies van zijn advocaat in Nigeria, brieven heeft gestuurd aan de commisioner van de politie en de commanding officer. Hierin heeft de advocaat van eiser geschreven dat militairen het huis van eiser zijn binnengetreden en dat er toen is geschoten. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij zich liet bijstaan door een advocaat, waardoor hij zich veiliger voelde en hij, samen met zijn advocaat, de brieven durfde te sturen. Een advocaat heeft in Nigeria een dusdanig sterke positie dat hij wordt gerespecteerd en minder te vrezen heeft.
De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat eiser zichzelf in de belangstelling zette door twee brieven naar de Nigeriaanse autoriteiten te sturen, terwijl hij in gevaar verkeerde. Dit valt niet te rijmen met de verklaring van eiser dat hij op dat moment bang was voor de autoriteiten. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt dat hij zich veilig voelde bij zijn advocaat, omdat eiser eerder zelf heeft verklaard dat militairen zo maar willekeurige mensen hebben doodgeschoten in Nigeria. Tijdens het gehoor heeft eiser verklaard dat hij geen bescherming kan krijgen van de Nigeriaanse autoriteiten, omdat zij hem willen doden. De minister heeft daarmee deugdelijk gemotiveerd dat het ongerijmd is dat eiser actief contact heeft opgezocht met de Nigeriaanse autoriteiten. De enkele verklaring van eiser dat het in Nigeria niet gebruikelijk is dat een advocaat wordt doodgeschoten maakt dit niet anders.
De ontsnapping uit Oyibo
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser zijn vlucht uit Oyibo niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser verwijst hierbij naar de zienswijze, waarin hij heeft uitgelegd dat niet de hele rivier beveiligd kon worden. Om die reden kon eiser met een boot de rivier oversteken. Het enkele feit dat er een noodtoestand was uitgeroepen maakt niet dat ontsnappen niet mogelijk was. Het standpunt van de minister dat ontsnappen tijdens een noodtoestand niet mogelijk is, is dan ook onjuist.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn ontsnapping uit Oyibo vaag en ongerijmd zijn. Eiser heeft zelf verklaard dat de noodtoestand was uitgeroepen, waardoor het onmogelijk was om de stad in of uit te komen. Ook waren overal militairen. Het is niet aannemelijk dat tijdens een noodtoestand de vluchtroutes de stad uit, zoals de rivier, niet worden gecontroleerd. Om die reden volgt de minister eiser niet in zijn betoog dat een boot, met daarop meerdere mensen, zonder problemen de rivier heeft kunnen oversteken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het ongerijmd is dat eiser niet heeft kunnen ontsnappen uit Oyibo. Uit openbare informatie van Google Maps blijkt dat Oyibo over een behoorlijke lengte langs een rivier is gelegen, waarbij de andere oever bebost is. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat het ongerijmd is dat soldaten zich alleen bij de brug over de rivier hebben opgehouden, waardoor een ontsnapping elders over de rivier voor eiser wel mogelijk was.
Op de zitting heeft de minister desgevraagd toegelicht dat, ook als de rechtbank hem met betrekking tot de ontsnapping uit Oyibo niet zou volgen, er voldoende argumenten overblijven om het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig te achten. De rechtbank ziet daarin aanleiding om het motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zal dat hierna onder 10 toelichten.
Gezochte personenlijst van de politie
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op de gezochte personenlijst van de politie staat. Hierbij verwijst eiser naar het gehoor, waarin hij heeft verklaard dat de persoon die hij ‘chief’ noemde nog steeds werkzaam was bij de politie. Deze ‘chief’ heeft de gezochte personenlijst zelf gezien. Ook heeft hij gezien dat de naam van eiser op deze lijst stond. De minister stelt zich dan ook ten onrechte op het standpunt dat ‘chief’ de naam van eiser niet zelf op de lijst heeft zien staan.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn naam op de gezochte personenlijst van de politie staat. Eiser heeft tijdens het gehoor verklaard dat de gezochte personenlijst niet openbaar is gemaakt. De militairen hebben volgens eiser op een middelbare school in de buurt aan mensen verteld dat een aantal mensen worden gezocht. De ‘chief’ zou dit hebben gehoord en dit aan eiser hebben verteld. Uit de verklaringen van eiser blijkt daarom niet dat ‘chief’ de naam van eiser zelf op de lijst heeft zien staan. Nu eiser deze lijst niet heeft overgelegd, omdat de lijst volgens hem niet publiekelijk zou zijn, heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat de verklaringen van eiser alleen zijn gebaseerd op vermoedens en op basis van horen zeggen, en dat dat onvoldoende is om zijn verklaring aannemelijk te achten.
Bekendheid van eiser als artiest
Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard. Eiser heeft niet tegenstrijdig verklaard en heeft de feiten en omstandigheden vanuit zijn eigen belevenis verteld. Eiser werd bekend met zijn muziek, maar was geen gezaghebbend of invloedrijk persoon. Dit heeft eiser ook uitgelegd in het gehoor. Ten aanzien van zijn muziek voert eiser aan dat de door hem gemaakte muziek werd gebruikt bij de protesten. De minister is niet ingegaan op het betoog van eiser dat hij, door zijn muziek, werd gezien als aanhanger van de protesten en daarmee ook als aanhanger van IPOB. Op de zitting heeft eiser betoogd dat zijn beperkte bekendheid niet relevant is, omdat hij lokaal zeer populair was.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn bekendheid als artiest. De verklaring van eiser dat hij bedoelde dat hij geen connecties heeft, doet hier niet aan af. De verklaring van eiser staat haaks op het feit dat hij eerder heeft verklaard dat zijn muziek veel impact heeft. Uit informatie van Spotify blijkt dat een beperkt aantal mensen heeft geluisterd naar de muziek van eiser. Hier doet de verklaring van eiser dat hij onder de radar is gegaan niet aan af, aangezien dit niet inzichtelijk maakt dat meer mensen naar zijn muziek hebben geluisterd. De stelling van eiser op de zitting dat hij lokaal zeer populair was maakt dit niet anders, omdat eiser dit in het nader gehoor niet naar voren heeft gebracht en hier bovendien tegenstrijdig over heeft verklaard.
Geen asielaanvraag in Oekraïne
Eiser stelt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij geen asielaanvraag in Oekraïne heeft ingediend. Hij voert aan dat hij in Oekraïne in het bezit was van een studentenvisum. Na afloop van dit visum kon eiser waarschijnlijk een werkvisum krijgen. Eiser waande zich veilig. Daarom heeft hij geen asiel aangevraagd in Oekraïne. Het standpunt van de minister dat een visum tijdelijk is en dat er verschillende voorwaarden aan zijn verbonden doet daar niet aan af.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het feit dat eiser in Oekraïne geen asiel heeft aangevraagd afbreuk doet aan de door hem gestelde noodzaak tot bescherming. Een verblijfsrecht op basis van een studenten- of werkvisum is tijdelijk en biedt onvoldoende bescherming tegen refoulement. Het had daarom voor de hand gelegen dat eiser asiel had aangevraagd in Oekraïne. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet wordt ingezien waarom eiser dat niet heeft gedaan, zodat hij zijn veiligheid zeker kon stellen. Wat eiser hier tegenin heeft gebracht maakt dit niet anders.
Conclusie
Gelet op het oordeel van de rechtbank onder 8.10. bevat de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister een motiveringsgebrek. Wat dit betekent voor de uitkomst van dit beroep, bespreekt de rechtbank onder 10.
Levert de medische problematiek van eiser een schending van artikel 3 van het EVRM op bij terugkeer naar Nigeria?
9. Eiser betoogt in de aanvullende gronden van 19 augustus 2025 dat de medische omstandigheden van eiser kunnen leiden tot een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Hier is de minister niet op ingegaan in het bestreden besluit. Eiser is geopereerd op 27 augustus 2025 en hierbij zijn complicaties opgetreden. Eiser heeft een brief van het ziekenhuis bijgevoegd, waaruit blijkt dat eiser veel buikklachten heeft en ook is doorverwezen naar de chirurg (dossierstuk 98). Eiser heeft een grote buikwandcorrectie gehad, omdat hij een buikwandhernia had. Eiser verwijst naar een rapport, waaruit blijkt dat er beperkingen zijn in de behandeling van zijn klachten in Nigeria.
Op 5 december 2025 heeft de minister aan eiser uitstel van vertrek verleend tot 5 juni 2026 door middel van een wijzigingsbesluit. Omdat de minister hiermee alsnog tegemoet is gekomen aan de wens van eiser, behoeft de door eiser aangevoerde beroepsgrond hiertegen geen verdere bespreking.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank heeft onder 8.10 een motiveringsgebrek geconstateerd. Voor het overige slagen de beroepsgronden niet. De rechtbank passeert het geconstateerde motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De minister heeft op de zitting het standpunt ingenomen dat het wegvallen van de tegenwerping over de ontsnapping uit Oyibo de uitkomst van de geloofwaardigheidsbeoordeling van het tweede asielmotief niet anders maakt. Dat betekent dat eiser nog altijd niet voldoet aan de voorwaarde genoemde in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. De rechtbank volgt de minister hierin, nu het tweede asielmotief van eiser op essentiële andere onderdelen terecht niet geloofwaardig is geacht. Het beroep is daarom ongegrond.
Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb en omdat de minister op 5 december 2025 in het wijzigingsbesluit deels aan eiser tegemoet is gekomen, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.