ECLI:NL:RBDHA:2026:8404

ECLI:NL:RBDHA:2026:8404

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer NL26.15381
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bewaring, beëindiging rechtmatig verblijf, grondslag maatregel, lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.15381

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),

en

(gemachtigde: mr. M.P. Gaal-de Groot).

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Heeft eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk beëindigd?

1. Eiser voert aan dat er geen grondslag bestaat om hem in bewaring te stellen nu hij als Unieburger rechtmatig verblijf heeft. In het verleden is hem weliswaar een verwijderingsbesluit opgelegd, maar hij heeft zijn verblijf in Nederland nadien daadwerkelijk en effectief beëindigd. Eiser heeft in dit verband stukken overgelegd, waaruit volgt dat hij het centrum van zijn activiteiten heeft verplaatst naar Polen. Zo is hij gestart met een integratietraject bij stichting Barka, heeft hij een (correspondentie)adres in Polen, heeft hij zijn schulden aangepakt en heeft hij in Polen een ziektekostenverzekering afgesloten. Het verwijderingsbesluit is daarmee uitgewerkt. Eiser is enkel naar Nederland teruggekeerd om een aantal zaken af te ronden. Vanwege het uitgewerkte verwijderingsbesluit kan de minister eiser niet in bewaring stellen.

De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgrond eerder is aangevoerd en getoetst toen eiser in bewaring was gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Op dit beroep heeft deze rechtbank en zittingsplaats op 31 maart 2026 uitspraak gedaan. Zoals toen overwogen, is (kort samengevat) niet gebleken dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.6 van deze uitspraak. Eiser heeft bij zijn huidige beroep geen nieuwe argumenten aangevoerd of nieuwe stukken ingebracht waardoor de rechtbank nu anders zou moeten oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Konden de b-grond en de c-grond aan de maatregel ten grondslag worden gelegd?

2. Eiser voert aan dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 – de b-grond en de c-grond – niet aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd. De b-grond kon niet aan de maatregel ten grondslag worden gelegd, omdat de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van eisers asielverzoek bekend waren bij de minister toen het voornemen (om eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren) werd verstuurd op 25 maart 2026. De c-grond kon niet aan de maatregel ten grondslag worden gelegd omdat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is, nu eiser een Unieburger is.

De rechtbank stelt vast dat de minister de c-grond tijdens de zitting heeft laten vallen.

Ten aanzien van de b-grond is de rechtbank van oordeel dat deze aan de maatregel van bewaring ten grondslag kon worden gelegd. Op 25 maart 2026 is het voornemen verstuurd waarin staat dat de minister van plan is om eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren. In dit voornemen staat tevens opgenomen dat eiser twee weken de tijd heeft om een zienswijze in te dienen op dit voornemen. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat er (nog) geen zienswijze door eiser is ingediend en dat de termijn om een zienswijze in te dienen nog niet is verstreken. Ook heeft eiser niet te kennen gegeven geen zienswijze in te willen dienen. Om deze reden is nog niet beslist op zijn asielaanvraag. Nu eiser nog een zienswijze kan indienen op het voornemen, heeft hij de mogelijkheid om nieuwe elementen of bevindingen aan te dragen, die een ander licht zouden kunnen werpen in het kader van zijn asielprocedure. Om die reden wordt de maatregel van bewaring (nog steeds) noodzakelijk geacht met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van eisers asielverzoek. De rechtbank kan deze motivering van de minister volgen. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?

3. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling, zoals het opleggen van een meldplicht.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft in de maatregel terecht gewezen op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en waaruit het risico op onttrekking aan het toezicht volgt. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser meermaals naar Nederland is teruggekomen nadat hij was uitgezet. Gelet op het voorgaande hoefde de minister dan ook geen lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.M. van Kouwen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.S. Gaastra

Griffier

  • mr. J.M. van Kouwen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?