ECLI:NL:RBDHA:2026:8405

ECLI:NL:RBDHA:2026:8405

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer NL26.15575
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bewaring, vervolgberoep, voortvarend handelen, zicht op uitzetting, lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.15575

(gemachtigde: mr. M. Pater),

en

Procesverloop

De minister heeft op 4 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 30 december 2025. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 11 februari 2026.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 27 maart 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 februari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 5 februari 2026.

Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?

2. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Er heeft in de afgelopen maanden nog geen presentatie plaatsgevonden en deze is ook nog niet gepland. Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage niet welke handelingen door de minister zijn verricht om voortvarend aan eisers uitzetting te werken. Er zijn onvoldoende rappels verzonden naar de Algerijnse autoriteiten en er hebben te weinig vertrekgesprekken plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. Uit de voortgangsrapportage volgt dat op 19 februari 2026 en 12 maart 2026 schriftelijk is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten op de status van de aanvraag om een laissez-passer (lp) en dat er vertrekgesprekken zijn gevoerd op 9 februari 2026 en 19 maart 2026. Het rappelleren in een lp-traject en het voeren van vertrekgesprekken zijn uitzettingshandelingen. Eisers stelling dat uit de voortgangsrapportage niet blijkt welke uitzettingshandelingen de minister heeft verricht, kan de rechtbank dan ook niet volgen. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister voor het plannen van een presentatie afhankelijk is van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.

Ontbreekt zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?

3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Op 9 en 10 december 2025 zijn lp’s aangevraagd en het is nog altijd niet gelukt om eiser uit te zetten. Hieruit blijkt dat zowel de autoriteiten van Algerije als Marokko eiser niet terug willen nemen. Ook is duidelijk dat de nationaliteit van eiser niet is bevestigd door Marokko. Het staat dan ook vast dat er geen zicht op uitzetting is naar Marokko.

Dat het lp-traject ten aanzien van Marokko is afgesloten, maakt niet dat daarmee ook het zicht op uitzetting is komen te vervallen. Er loopt namelijk ook nog een lp-procedure bij de Algerijnse autoriteiten. In het algemeen bestaat zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten de aanvraag van eiser voor een lp hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet langer in behandeling hebben. De Algerijnse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister moet volstaan met een lichter middel?

4. Eiser voert aan dat gekozen dient te worden voor een lichter middel, zoals een meldplicht. Hij verblijft inmiddels ongeveer vier maanden in bewaring. Door de minister is onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel mogelijk is.

In de uitspraken van 30 december 2025 en 11 februari 2026 is geoordeeld dat de minister niet hoefde te volstaan met het opleggen van een lichter middel. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waardoor de rechtbank hier nu anders over zou moeten oordelen. Het enkele tijdsverloop sinds het opleggen van de maatregel is hiertoe onvoldoende.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.M. van Kouwen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.S. Gaastra

Griffier

  • mr. J.M. van Kouwen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?