RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50587
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. G.J. van Kammen),
en
(gemachtigde: mr. I. van Es).
1. Deze uitspraak gaat over eisers beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is. Eiser heeft geen belang meer bij de beoordeling van zijn beroep, omdat hij met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep. De minister heeft op 28 november 2025 aan de rechtbank meegedeeld dat eiser, volgens meldingen van het COa op 18 november 2025, met onbekende bestemming is vertrokken. Op 16 december 2025 heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd meegedeeld dat hij via een kennis van eiser nog contact heeft gehad met eiser en dat eiser niet meer in Nederland verblijft. De gemachtigde van eiser heeft toegelicht dat eiser uiterst kwetsbare periodes heeft en hij geen goede afweging kan maken over zijn eigen positie.
4. Als een vreemdeling die in Nederland internationale bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van worden uitgegaan dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Bij uitspraak van 1 juli 2024 heeft de Afdeling dit genuanceerd. Zo oordeelt de Afdeling dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, maar wel contact onderhoudt met zijn gemachtigde, hij in beginsel geacht moet worden belang te hebben bij het door hem ingestelde rechtsmiddel. Dit is alleen anders als er voldoende concrete aanknopingspunten zijn dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reƫel belang meer heeft.
5. De rechtbank stelt op basis van de berichtgeving van de minister en van de gemachtigde van eiser vast dat eiser de opvang heeft verlaten zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft. Verder staat vast dat eiser geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde en dat eisers gemachtigde niet weet waar eiser verblijft. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat hij via een kennis van eiser enkel heeft gehoord dat eiser door Europa reist. De rechtbank is ermee bekend dat eiser te maken heeft met psychische problemen en dat hiermee mogelijk rekening moet worden gehouden bij de vraag of eiser nog procesbelang heeft. Er zijn in dit geval echter geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat eiser nog contact met zijn gemachtigde zal opnemen.
Onder die omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de aanvankelijk door hem gezochte bescherming hier in Nederland. Daarom heeft eiser geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.