ECLI:NL:RBDHA:2026:8411

ECLI:NL:RBDHA:2026:8411

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer NL26.4192
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Dublin, Duitsland, eisers verklaringen tijdens het gehoor zijn aanvankelijk niet meegewogen in het voornemen, niet in belangen geschaad, interstatelijk vertrouwensbeginsel, arrest X, artikel 17 Dublinverordening, indirect refoulement, beroep ongegrond.

Uitspraak

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Marokkaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 8 december 2025 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 10 december 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening.

Zienswijze

5. Eiser verwijst allereerst naar hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.

Onzorgvuldige voorbereiding en motiveringsgebrek

6. Eiser betoogt dat in het voornemen ten onrechte staat vermeld dat hij niet is verschenen op het aanmeldgehoor van 8 december 2025. Hoewel de minister in het bestreden besluit hiervoor excuses heeft aangeboden, doet dit niet af aan het feit dat het besluitvormingsproces onzorgvuldig is geweest. Eisers verklaringen tijdens het gehoor zijn aanvankelijk niet meegewogen. Niet kan worden uitgesloten dat dit gebrek invloed heeft gehad op de inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaren.

De rechtbank stelt vast dat eiser, hoewel zijn verklaringen in het voornemen niet kenbaar zijn betrokken, de gelegenheid heeft gehad om door middel van een zienswijze te reageren op het voornemen. Eiser heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de minister alle bezwaren, die eiser tijdens het aanmeldgehoor en in de zienswijze naar voren heeft gebracht, in het bestreden besluit inhoudelijk beoordeeld. Er is geen grond voor het oordeel dat deze handelswijze onzorgvuldig is. Door eiser is niet geconcretiseerd hoe hij hierdoor in zijn belangen is geschaad, bijvoorbeeld door uit te leggen op welke wijze hij in de zienswijze had willen reageren anders dan hij nu heeft gedaan. Hoewel de verklaringen van eiser dus niet kenbaar zijn meegenomen in het voornemen, leidt dit niet tot vernietiging van het bestreden besluit.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

7. Eiser beroept zich op het zogenoemde arrest X. van het Hof van Justitie van 29 februari 2024, waarin is benadrukt dat lidstaten een actieve onderzoeksplicht hebben wanneer er concrete aanwijzingen bestaan dat overdracht kan leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser voert aan dat de minister de onderzoeksplicht onvoldoende heeft ingevuld, omdat geen nader onderzoek is verricht naar de actuele leefomstandigheden van Dublinclaimanten in Duitsland. Daarnaast heeft de minister zijn standpunt over het AIDA-rapport (update 2024) van 16 juni 2025 onvoldoende daadkrachtig gemotiveerd. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser aangevoerde drempels in zijn individuele geval niet maken dat klagen feitelijk onmogelijk is of bij voorbaat zinloos. Het vereiste van effectieve rechtsbescherming vergt meer dan een theoretische mogelijkheid tot klagen.

De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land, waardoor de vreemdeling een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die een vreemdeling heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan de minister kennis heeft. Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te leiden.

De Afdeling heeft in de uitspraken van 14 februari 2025 en 8 oktober 2025 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen in dat kader.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten op het gebied van opvang, zorg, of rechtsbijstand, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Anders dan eiser betoogt heeft hij toegang tot rechtsbijstand in Duitsland. Hoewel een vreemdeling in Duitsland alleen kosteloze rechtsbijstand krijgt als een beroep een reële kans van slagen heeft, biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn deze mogelijkheid aan de lidstaten. Een procedure over de kosteloze rechtsbijstand mag volgens die bepaling niet de daadwerkelijke toegang tot de rechter belemmeren. Als eiser vindt dat de toegang tot de rechtsbijstand niet goed is, dan kan hij hierover procederen en klagen in Duitsland. De enkele stelling van eiser dat klagen op voorhand zinloos is, maakt dat oordeel niet anders. De situatie in Duitsland zoals die in het meest recente AIDA-rapport (update 2024) van juni 2025 naar voren komt, geeft geen aanleiding om van de hiervoor onder 7.2. genoemde jurisprudentie af te wijken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat uit het hiervoor genoemd AIDA-rapport blijkt dat sprake is van een (relevante) verslechtering van de omstandigheden in Duitsland ten opzichte van de situatie die al eerder door de Afdeling is beoordeeld. Ook heeft eiser niet met landeninformatie aannemelijk gemaakt dat Dublinclaimanten, die gereguleerd worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten, na overdracht aan Duitsland een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister niet gehouden was om nader onderzoek te doen als bedoeld in het arrest X.

Artikel 17 van de Dublinverordening

8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.

Paragraaf C2/5. van de Vc bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Voor zover eiser meent dat zijn psychische klachten een reden zijn om de asielaanvraag toch in Nederland te behandelen, oordeelt de rechtbank dat hij niet heeft onderbouwd dat hij hiervoor behandeling ondergaat. Ook heeft eiser niet aangetoond dat Nederland het meest aangewezen land is om hem te behandelen. Voor zover eiser meent dat de door hem naar voren gebrachte problemen met betrekking tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Duitsland ook moeten worden meegenomen in de motivering of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, verwijst de rechtbank naar de Afdelingsuitspraak van 25 februari 2025. Daarin is geoordeeld dat als de minister de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt.

Indirect refoulement

9. Voor zover eiser meent dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof van Justitie van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024. Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 7.3. is overwogen kan ten aanzien van Duitsland nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op indirect refoulement.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?