RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62060
(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en
(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser in stand kan blijven. De minister heeft de homoseksuele gerichtheid van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. In overweging 3 gaat de rechtbank in op eisers eerdere asielprocedure. Onder 4 en 4.1 staat eisers asielrelaas en een overzicht van de door hem ingebrachte documenten. In overweging 5 zet de rechtbank eisers asielmotieven en de beoordeling door de minister uiteen. Onder 6 zet de rechtbank het juridisch kader uiteen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister eisers homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en of de minister in de door eiser in de onderhavige procedure overgelegde foto’s en documenten aanleiding had moeten zien om zijn geaardheid geloofwaardig te achten. Aan het eind onder 10 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 december 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep samen met NL25.62061 op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Eerdere asielprocedure
3. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft op 9 januari 2021 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij biseksueel is en daardoor problemen heeft gekregen. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 22 juli 2022 afgewezen en de gestelde biseksuele gerichtheid van eiser en zijn ondervonden problemen ongeloofwaardig geacht. Dat besluit staat met de (gerectificeerde) uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2023 in rechte vast.
Huidige asielprocedure
4. Op 8 januari 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is, en niet biseksueel, en dat hij daar nu openlijk voor durft uit te komen. Verder heeft hij verklaard dat hij regelmatig bijeenkomsten bezoekt van COC, Colored Qollective en ook diverse keren bij prides is geweest. Ook heeft hij sinds 2023 een relatie met [persoon A].
Ter onderbouwing van zijn opvolgende aanvraag heeft eiser verschillende documenten overgelegd:
- Brief en diverse foto’s van stichting Qolored Qollective van 27 november 2024;
- Brief van [persoon B] van 20 juli 2024;
- Brief van [persoon C] van 13 december 2024;
- Brief van [persoon D], van LGBT Asylum support van 30 november 2025;
- Uitnodiging COA informatief gesprek van 25 juni 2025, [persoon E];
- Aankondiging Rainbowcafé van 12 oktober.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- homoseksuele geaardheid.
De minister acht het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig en handhaaft daarmee het standpunt van de vorige asielprocedure. De minister acht de gestelde homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig, omdat eiser dit asielmotief niet met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd en zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Bij die beoordeling is Werkinstructie (WI) 2019/17, ‘Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd’ toegepast.
Wat is het juridische kader?
6. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister de vanaf 1 juli 2024 geldende WI 2024/6 heeft toegepast. In dit beleid zijn veranderingen doorgevoerd in de wijze waarop de minister de geloofwaardigheid van de asielmotieven beoordeelt. Hiermee is ook WI 2014/10 ingetrokken. Dit nieuwe beleid is een uitwerking van artikel 31 van de Vw 2000, dat de implementatie is van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, en een nadere invulling van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
Heeft de minister eisers homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
7. Eiser betoogt dat de minister zijn gestelde seksuele gerichtheid nog altijd ten onrechte ongeloofwaardig acht. In de eerste plaats betoogt eiser daarmee dat hij zijn asielmotief, anders dan de minister stelt, wel volledig heeft onderbouwd met objectieve bewijsstukken. De minister stelt zich in het voornemen en in het bestreden besluit volgens eiser verder ten onrechte op het standpunt dat het enkele feit dat eiser deelneemt aan activiteiten die worden georganiseerd door LHBTI-belangenorganisaties en dat hij op foto’s staat met andere homoseksuelen, niet tot de conclusie leidt dat eiser zelf ook homoseksueel is. De minister stelt verder ten onrechte dat eisers verklaringen over de activiteiten onvoldoende inzicht geven in eisers beleving en in de gevoelens die hij heeft ervaren. De verklaringen van eiser zijn namelijk niet integraal door de minister beoordeeld en in onderlinge samenhang met de overgelegde documenten gewogen. Eiser heeft onder andere aangegeven dat in de brieven van de heren [persoon B] en [persoon C] is bevestigd dat eiser homoseksueel is, deel uitmaakt van de gay community en dat eiser deelneemt aan een whatsapp groep voor homoseksuele personen. Hier is de minister ten onrechte niet op ingegaan. Ook is de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op de verklaring van de heer [persoon B] dat eiser zijn homoseksualiteit geheim wilde houden.
Aanvullend betoogt eiser dat nu hij zijn homoseksuele gerichtheid aannemelijk heeft gemaakt, hij bij terugkeer naar Nigeria zal worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hij loopt namelijk een reëel risico op ernstige schade. Op grond van sectie 4 en 5 van de Same Sex Marriage Prohibition Act van 10 januari 2014, kan er in Nigeria een maximale gevangenisstraf van 14 jaar worden opgelegd aan personen die zich schuldig hebben gemaakt aan het sluiten van een huwelijk of het hebben van intimiteit met personen van hetzelfde geslacht.
Onderbouwing met documenten (stap 2a)
8. De rechtbank stelt vast dat eiser in de eerste plaats heeft betwist dat hij zijn verklaringen en zijn asielmotief volgens de minister niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd. De rechtbank zal daarom eerst ingaan op de vraag of de minister zich op dat standpunt heeft kunnen stellen. Zij beantwoordt deze vraag bevestigend en oordeelt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser overgelegde documenten zijn asielmotief niet volledig onderbouwen. De minister stelt zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt dat de documenten geen objectieve bewijsstukken zijn die eisers homoseksuele gerichtheid volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister terecht aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 beoordeeld of de verklaringen van eiser over het asielmotief alsnog geloofwaardig zijn. Dat is volgens de minister niet het geval. Eiser voldoet volgens de minister niet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000, omdat de verklaringen over zijn homoseksuele gerichtheid niet samenhangend en aannemelijk zijn. De rechtbank gaat daar hieronder verder op in.
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 (stap 2b)
9. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen over zijn homoseksuele gerichtheid niet samenhangend en aannemelijk zijn. In de eerste plaats verklaart eiser dat hij regelmatig bijeenkomsten bezoekt van het COC, Qolored Qollective en dat hij bij meerdere prides is geweest. De minister stelt zich hierover terecht op het standpunt dat van eiser verwacht mag worden dat hij gelet op de frequentie van zijn bezoeken met een zekere mate van diepgang over zijn bezoeken en gesprekken kan verklaren. Het enkele feit dat eiser deelneemt aan activiteiten van LHBTI-belangenorganisaties en dat hij op foto’s staat met andere homoseksuelen, leidt namelijk niet tot de conclusie dat eiser homoseksueel is. De activiteiten die eiser op de foto’s onderneemt en waar hij over verklaard kunnen namelijk ook door heteroseksuele personen worden uitgevoerd, bijvoorbeeld uit solidariteit, vriendschap of om aansluiting te zoeken bij een bepaalde groep. Het beoordelen van seksuele gerichtheid gaat, zoals de minister terecht stelt, niet in de eerste plaats om uiterlijke kenmerken of deelname aan evenementen, maar om de persoonlijke en innerlijke beleving. Eisers verklaringen over de activiteiten geven vervolgens onvoldoende inzicht in zijn beleving en de gevoelens die hij daarbij heeft ervaren. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat in het voornemen uitgebreid is uitgelegd waarom eisers verklaringen onvoldoende inzicht geven in zijn gevoelens. De enkele verwijzing naar de zienwijze ter onderbouwing van het betoog dat eiser wel voldoende inzicht heeft gegeven in zijn beleving en gevoelens, kan, nog daargelaten dat eiser in de zienswijze niet ingaat op de argumenten van de minister in dit opzicht, niet leiden tot een andere conclusie.
Dat eiser deelneemt aan een whatsapp-groep voor homoseksuelen, en dat de minister hier niet afzonderlijk op in is gegaan, maakt het bovenstaande niet anders. Het betoog van eiser ter zitting dat het een feit van algemene bekendheid is dat je enkel door de beheerder van de whatsapp-groep wordt toegelaten als je daadwerkelijk homoseksueel bent, volgt de rechtbank niet omdat dit, anders dan eiser stelt, geen feit van algemene bekendheid of een op feiten berustende vanzelfsprekendheid is. Evenmin is bekend hoe de beheerder van de whatsapp-groep de homoseksuele gerichtheid van de deelnemers verifieert. Eiser heeft dit alles op geen enkele wijze onderbouwd. Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat de minister niet zou zijn ingegaan op de verklaring van de heer [persoon B] dat eiser zijn homoseksualiteit geheim wilde houden. De minister is in het voornemen namelijk ingegaan op de betreffende brief. Zoals op pagina 2 van het bestreden besluit staat opgenomen maakt het voornemen deel uit van het bestreden besluit. Eiser heeft vervolgens niet inhoudelijk gemotiveerd bestreden waarom van dat standpunt van de minister niet uit kan worden gegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Voor wat betreft eisers betoog dat hij zijn homoseksuele gerichtheid aannemelijk heeft gemaakt en daarom bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, oordeelt de rechtbank dat hieraan niet wordt toegekomen omdat de minister eisers homoseksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De vraag of eiser bij terugkeer naar Nigeria gevaar loopt behoort tot de zwaarwegendheidsbeoordeling waar de minister pas aan toekomt zodra een asielmotief geloofwaardig wordt bevonden. De argumenten die eiser ter onderbouwing van zijn betoog dat hij bij terugkeer vanwege zijn homoseksuele gerichtheid een 3 EVRM risico loopt, heeft ingebracht, blijven dan ook onbesproken.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.