ECLI:NL:RBDHA:2026:8413

ECLI:NL:RBDHA:2026:8413

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-03-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer NL25.26517
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Asielaanvraag ongegrond. Asielmotief over discriminatie vanwege Hausa-etniciteit en familieproblemen vanwege een erfenis deels ongeloofwaardig. Niet aannemelijk dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 EVRM. Eiser kwam ten tijde van het bestreden besluit niet in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.26517

(gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer),

en

(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk het asielmotief over de discriminatie vanwege de Hausa-etniciteit van eiser en over de familieproblemen vanwege de erfenis deels ongeloofwaardig mogen vinden. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM vanwege zijn Hausa-etniciteit, geweld door de Microbes-bende, oorlogsgeweld, geweld door Boko Haram of dat hij door zijn oom zal worden gedood. De minister heeft ook kunnen concluderen dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet in aanmerking kwam voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Kameroense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.K. Umar als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het asielrelaas van eiser?

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser vreest te worden gedood door zijn oom. Zolang eiser weet, hebben zijn vader en oom onenigheid over de erfenis van zijn opa. De oom heeft eisers vader en broers en eiser zelf bedreigd, onder meer met de dood. Eiser verdenkt zijn oom ervan zijn broer te hebben gedood. Verder stelt eiser te zijn gediscrimineerd vanwege zijn Hausa-etniciteit, omdat andere bevolkingsgroepen door zijn etniciteit denken dat hij bij Boko Haram hoort. Daarnaast vreest eiser bij terugkeer slachtoffer te worden van de oorlog tussen Engelstalige en Franstalige bevolkingsgroepen van Kameroen of slachtoffer te worden van geweld door de Microbes-bende.

Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De familieproblemen vanwege de erfenis en de discriminatie vanwege de Hausa-etniciteit zijn volgens de minister deels geloofwaardig. De minister gelooft dat er onenigheid bestaat tussen de oom en vader van eiser over de erfenis van zijn opa, maar hij gelooft niet dat de oom verantwoordelijk is voor de dood van de broer van eiser. Dit is volgens de minister enkel gebaseerd op vermoedens. Daarnaast gelooft de minister dat eiser door landgenoten van een andere etniciteit wordt gezien als lid van de Boko Haram vanwege zijn etniciteit en dat die andere bevolkingsgroepen hierdoor afstand van hem nemen of hem terrorist noemen. Maar de minister vindt het ongeloofwaardig dat eiser met stokken is geslagen vanwege zijn etniciteit, omdat niet wordt ingezien waarom eiser dit niet heeft benoemd in het nader gehoor. Eiser heeft namelijk wel over fysiek geweld kunnen verklaren als het gaat om zijn familieleden.

Ten aanzien van de geloofwaardig bevonden elementen heeft de minister – kort samengevat – het standpunt ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a of b, van de Vw moet worden verleend.

De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.

Heeft de minister de discriminatie vanwege de Hausa-etniciteit deels ongeloofwaardig mogen vinden?

5. De minister volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij meermaals met stokken is geslagen vanwege zijn etniciteit. Niet wordt ingezien dat eiser dit niet in het gehoor heeft genoemd, terwijl hij wel is uitgenodigd om te verklaren wat hem is overkomen. Eiser benoemde enkel dat andere groepen problemen hebben met Hausa, dat er haat bestaat tussen de bevolkingsgroepen en dat andere groepen afstand van Hausa-mensen nemen.

Eiser voert aan dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader. Als de minister wel voldoende rekening had gehouden met zijn relatief jonge leeftijd en zijn beperkte opleidingsniveau, dan had de minister eiser niet tegengeworpen dat hij tijdens het nader gehoor nog niet had gesproken over het fysieke geweld tegen hem vanwege zijn etniciteit.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met en zich voldoende bewust is geweest van het referentiekader van eiser. De minister heeft het referentiekader namelijk uitgebreid beschreven in het voornemen. Ook heeft de minister bij de beoordeling van eisers verklaringen kenbaar rekening gehouden met de leeftijd en het opleidingsniveau van eiser. De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat van eiser – ondanks zijn leeftijd en beperkte opleidingsniveau – mocht worden verwacht dat hij in ieder geval kernachtig tijdens het gehoor had weergegeven waarom hij vanwege specifiek zijn etniciteit gevaar loopt in Kameroen. Gebleken is dat de minister tijdens de gehoren meermaals heeft gecontroleerd of eiser begreep wat er aan hem werd gevraagd. Op de momenten dat eiser zelf aangaf dat hij iets niet begreep, of als de minister de indruk had dat eiser iets niet begreep, heeft de minister de vraag opnieuw gesteld en zo nodig geherformuleerd. De stelling van eiser dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader is verder onvoldoende onderbouwd. Desgevraagd ter zitting kon eiser geen concrete voorbeelden noemen ter onderbouwing van zijn stelling. Nu de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader, ziet de rechtbank niet in waarom eiser niet eerder dan in de correcties en aanvullingen heeft verklaard over fysiek geweld vanwege zijn etniciteit. Eiser is namelijk wel in staat gebleken om over het fysieke geweld te spreken dat hij heeft ondergaan vanwege zijn oom. Niet valt in te zien waarom hij daarover wel kon praten en waarom hij dat niet zou kunnen vanwege etnisch gerelateerd fysiek geweld. De rechtbank is overigens gebleken dat eiser op pagina 9 van het nader gehoor van 20 maart 2025 op de vraag of hij weleens is mishandeld, geslagen of is uitgescholden omdat hij Hausa is, bevestigend heeft geantwoord. Niet valt dan in te zien waarom eiser op de vraag op pagina 16 van dat gehoor om een concreet voorbeeld te geven van wat hem is overkomen in Kameroen omdat hij Hausa is niet heeft verklaard dat hij slachtoffer is geweest van fysiek geweld of in algemene zin over etnisch gerelateerd geweld tegen Hausa-mensen, maar wel heeft gezegd dat tijdens het voetballen er allerlei dingen tegen Hausa-mensen worden gezegd om hen uit de tent te lokken.

Gelet op het vorenstaande, heeft de minister de discriminatie vanwege eisers etniciteit deels ongeloofwaardig kunnen vinden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister de familieproblemen vanwege de erfenis deels ongeloofwaardig mogen vinden?

6. De minister heeft geloofwaardig gevonden dat eisers oom en vader onenigheid hebben over de erfenis van hun vader. Maar de minister volgt eiser niet in zijn standpunt dat zijn oom verantwoordelijk is voor de dood van eisers broer [naam 1] vanwege de onenigheid over de erfenis. Deze stelling is volgens de minister enkel gebaseerd op vermoedens. Eiser verklaart namelijk zelf dat hij niet weet of de oom de dader is maar hij verdenkt hem wel vanwege de onenigheid binnen de familie en de bedreigingen geuit door de oom.

De rechtbank stelt vast dat eiser het standpunt van de minister dat het niet geloofwaardig is dat zijn oom verantwoordelijk is voor de dood van zijn broer [naam 1] niet heeft bestreden. De minister heeft daarom de door eiser gestelde familieproblemen vanwege de erfenis deels ongeloofwaardig kunnen vinden.

Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM?

Hausa-etniciteit

7. De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser geen inhoudelijke argumenten tegen het voorgenomen besluit heeft gegeven ter onderbouwing van zijn vrees om te worden gedood vanwege zijn etniciteit. De minister heeft in het voornemen gesteld dat deze vrees niet aannemelijk is. Daarnaast blijkt volgens de minister uit de landeninformatie niet dat mensen met de Hausa-etniciteit een reëel risico lopen enkel vanwege hun etniciteit te worden gedood. Verder heeft de minister in het voornemen gesteld dat het aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Kameroen enige vorm van discriminatie kan ondervinden, maar dat deze vrees niet zwaarwegend is. De discriminatie is namelijk niet van dien aard dat het kan worden gezien als een vervolgingsgrond. Eiser heeft namelijk verklaard naar school te zijn gegaan, in opleiding te hebben gewerkt als naaier en dat hem nog nooit ergens de toegang is geweigerd enkel omdat hij Hausa is. Daarmee is volgens de minister geen sprake van een gegronde vrees voor vervolging.

Eiser handhaaft in beroep dat hij een gegronde vrees heeft om vanwege zijn Hausa-etniciteit te worden gedood. Eiser stelt dat hij in bewijsnood verkeert om zijn enkele stelling te onderbouwen en dat gelet op die bewijsnood de minister zijn standpunt dient te volgen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich afdoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn Hausa-etniciteit. Eiser heeft namelijk geen inhoudelijke argumenten aangevoerd tegen het voornemen op dit punt en eiser heeft zijn stelling niet onderbouwd dat hij in bewijsnood verkeert. Verder heeft eiser zijn vrees, dat hij zal worden gedood vanwege zijn etniciteit, niet nader geconcretiseerd. Op de zitting heeft eiser desgevraagd hierover ook geen verduidelijking kunnen geven. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Geweld door de Microbes-bende

8. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor geweld door de Microbes-bende. De enkele stelling van eiser dat hij te vrezen heeft, is niet inhoudelijk onderbouwd. De feiten uit de door eiser overgelegde informatie van Vluchtelingenwerk maken niet aannemelijk dat eiser persoonlijk te vrezen heeft voor de Microbes-bende.

Eiser voert aan dat zijn verklaring en de door hem overgelegde informatie over de Microbes-bende moeten leiden tot de conclusie dat hij wel degelijk een reëel risico loopt op ernstige schade.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege geweld door de Microbes-bende. In dit verband heeft de minister terecht vastgesteld dat eiser zijn stelling niet inhoudelijk heeft onderbouwd. Eiser voert namelijk enkel aan dat de Microbes-bende iedereen kan aanvallen. Naar het oordeel van de rechtbank vormt deze enkele stelling onvoldoende onderbouwing dat eiser persoonlijk heeft te vrezen voor een reëel risico op ernstige schade. De rechtbank is met de minister van oordeel dat de aanwezigheid van de Microbes-bende in [voormalige woonplaats] nog niet maakt dat iedereen daar een reëel risico op ernstige schade loopt. De informatie van Vluchtelingenwerk over de Microbes-bende, maakt dat oordeel niet anders. Dit betreft namelijk informatie over de activiteiten van de Microbes-bende in het algemeen en bevestigt niet het standpunt van eiser dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor deze bende. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Boko Haram en oorlogsgeweld

9. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor geweld door Boko Haram of de oorlog tussen de Engelstalige en Franstalige bevolkingsgroepen van Kameroen.

Eiser heeft zijn stelling namelijk niet onderbouwd dat ontvoeringen en bomaanslagen van Boko Haram aan de orde van de dag zijn in Kameroen. Ter zitting heeft de minister erop gewezen dat Boko Haram actief is in de noordelijke regio van Kameroen dat op grote afstand is gelegen van de voormalige woonplaats van eiser, [voormalige woonplaats]. De minister heeft er voorts op gewezen dat eiser geen nieuwe feiten of persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor Boko Haram.

Wat betreft de strijd tussen Engelstalige en Franstalige bevolkingsgroepen stelt de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom specifiek hij risico zou lopen. De strijd vindt namelijk plaats in de regio’s North-West en South-West. Deze regio’s liggen op enige afstand van [voormalige woonplaats]. Volgens de minister bestaat er ook geen algemeen risico op ernstige schade vanwege deze strijd in de regio waarin eiser woonachtig was.

Eiser voert aan dat zijn verklaring en de door hem overgelegde informatie over Boko Haram en het geweld tussen Engelstalige en Franstalige bevolkingsgroepen moet leiden tot de conclusie dat hij wel een reëel risico loopt op ernstige schade.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege geweld door Boko Haram of het geweld tussen Engelstalige en Franstalige bevolkingsgroepen.

Voor wat betreft eisers vrees voor Boko Haram is gebleken dat eiser tijdens het gehoor heeft volstaan met de opmerking dat hij bang is voor Boko Haram. Voor het overige heeft hij verwezen naar door hem overgelegde informatie. Uit die informatie volgt dat Boko Haram actief is in het noorden van Kameroen. De voormalige woonplaats van eiser, [voormalige woonplaats], is niet gelegen in het noorden doch ligt op grote afstand van die regio waarin Boko Haram actief is. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat Boko Haram ook daden van geweld op regelmatige basis plegen in [voormalige woonplaats]. De enkele verwijzing van eiser naar de algemene informatie over Boko Haram is dan ook onvoldoende om zijn persoonlijke vrees aannemelijk te maken. Eiser heeft daarnaast geen andere concrete aanwijzingen of omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Met betrekking tot de vrees die eiser stelt te hebben vanwege de strijd tussen Engelstalige en Franstalige bevolkingsgroepen is de rechtbank met de minister van oordeel dat niet is gebleken dat de algemene veiligheidssituatie in Kameroen zodanig is dat er aanleiding bestaat om aan te nemen dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin elke persoon het risico loopt op ernstige schade, enkel al door diens aanwezigheid in Kameroen. De minister heeft in zijn landgebonden beleid aangenomen dat wel sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de provincies North-West en South-West, de provincies waar de strijd tussen beide bevolkingsgroepen zich concentreert. Ook uit de door eiser overgelegde informatie blijkt dat de separatisten zich alleen bevinden in de regio’s North-West en South-West. [voormalige woonplaats] ligt in een andere regio. Daar komt bij dat een enkele verwijzing naar de algemene informatie over deze strijd onvoldoende is om de persoonlijke vrees van eiser voor deze oorlog aannemelijk te maken. Eiser heeft geen andere concrete aanwijzingen of omstandigheden naar voren gebracht die deze vrees wel aannemelijk maakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Vrees van eiser om te worden gedood door zijn oom

10. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer door zijn oom zal worden gedood. Eiser heeft namelijk zijn stelling dat de bedreigingen van zijn oom nog actueel zijn, niet aannemelijk gemaakt. Zijn stelling in dat kader dat al zijn broers Kameroen inmiddels hebben verlaten vanwege de vrees voor deze oom, heeft eiser niet onderbouwd. De minister heeft er verder op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij niet weet of andere gezinsleden op dit moment nog problemen hebben met de oom. Eiser heeft daarnaast, volgens de minister, geen andere inhoudelijke argumenten tegen het standpunt van de minister ingebracht.

Eiser voert aan dat er ook op dit punt onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader. Daarnaast stelt eiser dat hij ook in bewijsnood verkeert als het gaat om zijn vrees dat hij zal worden gedood door zijn oom. Eiser stelt dat als er wel rekening wordt gehouden met zijn referentiekader en het feit dat hij in bewijsnood verkeert, het gevaar aannemelijk is dat hij bij terugkeer gedood zal worden door zijn oom.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zijn vrees niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn oom zal worden gedood. De minister heeft er daartoe terecht op gewezen dat eiser weliswaar heeft verklaard dat hij bedreigd zou zijn door de oom doch dat hij die bedreigingen niet zelf rechtstreeks heeft vernomen of ontvangen van zijn oom. Van de bedreigingen die jegens hem zouden zijn geuit door de oom heeft eiser namelijk kennis gekregen door zijn broers. Eiser vermoedt daarnaast dat zijn broer door zijn oom is vermoord, maar hij kan niet met zekerheid zeggen of dit het geval is. De rechtbank stelt dan ook vast dat eisers vermoeden slechts is gebaseerd op de bedreigingen door de oom. In dit verband wijst de rechtbank erop dat eiser heeft verklaard dat in Kameroen er wel een onderzoek is verricht door de politie naar de doodsoorzaak van eisers broer, maar dat dat geen uitsluitsel heeft gegeven. De rechtbank is daarom met de minister van oordeel dat eiser zijn stelling dat zijn oom zijn broer heeft vermoord, niet aannemelijk heeft gemaakt. Verder heeft de minister in aanmerking kunnen nemen dat eiser na de dood van zijn broer nog vier jaar in [voormalige woonplaats] heeft gewoond en gedurende die periode niets heeft gemerkt van zijn oom. Eiser heeft daarvoor ter zitting desgevraagd geen reden kunnen geven. Ook heeft de minister van belang kunnen vinden dat niet is komen vast te staan of aannemelijk geworden dat de broers van eiser ook daadwerkelijk Kameroen hebben verlaten en zo dit al het geval is dat dat vanwege de bedreigingen van de oom is gebeurd. De stelling van eiser dat zijn oom hem nu wel iets aan kan doen omdat hij ouder is, is zonder nadere onderbouwing voor de rechtbank onbegrijpelijk. Wat betreft de gestelde bewijsnood oordeelt de rechtbank dat eiser dit evenmin nader heeft onderbouwd. Uit niets is gebleken dat eiser pogingen heeft gedaan om bewijsstukken te verzamelen. Eiser verklaart daarover enkel dat hij stukken over de moord van zijn broer niet heeft. Wat betreft het referentiekader verwijst de rechtbank naar haar oordeel zoals dat eerder in deze uitspraak is gegeven. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister aan eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV) moeten verlenen?

11. De minister is allereerst van mening dat hij rechtsgeldig de beslistermijn heeft verlengd met negen maanden. Hij wijst er daarbij op dat de Afdeling nog geen uitspraak heeft gedaan na ontvangst van de antwoorden op de prejudiciële vragen in de zaak Zimir. De minister stelt zich vervolgens op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV-ers. Eiser is namelijk binnen de in dit kader ontwikkelde beslistermijn (zes maanden + één jaar onderzoek door de Dienst Terugkeer en Vertrek) meerderjarig geworden. De minister meent dat hij voldoende heeft gemotiveerd waarom het onderzoek naar adequate opvang niet was afgerond tijdens de minderjarigheid van eiser. Gelet hierop bestaat er volgens de minister geen aanleiding om met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV-ers toe te kennen.

Eiser voert aan dat de minister, gelet op het arrest Zimir, de beslistermijn niet met negen maanden had mogen verlengen waardoor de wettelijke beslistermijn van zes maanden is blijven gelden. Verder voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het onderzoek naar adequate opvang niet heeft afgerond voordat eiser meerderjarig werd. Volgens eiser kon tijdens het aanmeldgehoor, welke drie dagen na de asielaanvraag plaatsvond, al een begin worden gemaakt met het onderzoek. Eiser stelt dat de minister dit ten onrechte heeft nagelaten. Eiser is hierdoor ten onrechte niet (met terugwerkende kracht) in aanmerking gekomen voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV-ers.

De rechtbank overweegt allereerst dat de minister met WBV 2023/3 de wettelijke beslistermijn van alle aanvragen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot uiterlijk 1 januari 2024 met negen maanden heeft verlengd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 23 november 2023 geoordeeld dat deze verlenging rechtsgeldig is. De rechtbank stelt voorts vast dat de Afdeling nog geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of de beslistermijn rechtsgeldig is verlengd met 9 maanden. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank er nog steeds vanuit dat de wettelijke beslistermijn voor de aanvraag van eiser die op 8 september 2023 is ingediend daarom middels WBV 2023/3 is verlengd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich, voor zover ervan uitgegaan zou moeten worden dat de beslistermijn niet rechtsgeldig zou zijn verlengd met 9 maanden, op het standpunt heeft mogen stellen dat geen aanleiding bestond om eiser met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV-ers te verlenen. De minister heeft terecht gesteld dat het onderzoek naar adequate opvang niet kon worden afgerond, omdat de periode vanaf de indiening van de asielaanvraag tot aan het moment dat eiser meerderjarig is geworden, niet langer is dan anderhalf jaar. Eiser is namelijk meerderjarig geworden op 13 maart 2024 en hij heeft zijn asielaanvraag zes maanden daarvoor (op 8 september 2023) ingediend. Hij is dus al meerderjarig geworden ruim vóór de uiterste datum waarop de minister het besluit moest nemen na het onderzoek naar adequate opvang. Ook als de minister het onderzoek naar de adequate opvang eerder had opgestart, had dat niet tot een ander resultaat geleid. Immers heeft eiser al 5 dagen na ommekomst van de aanvankelijke beslistermijn van 6 maanden de meerderjarige leeftijd bereikt en voldeed hij vanaf dat moment niet meer aan het buitenschuldbeleid voor AMV-ers. De rechtbank is daarom van oordeel dat onder deze omstandigheden de minister niet kan worden verweten dat het onderzoek naar adequate opvang niet tijdig resultaat heeft opgeleverd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. Jongmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.W.M. Bunt

Griffier

  • mr. S. Jongmans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?