ECLI:NL:RBDHA:2026:8416

ECLI:NL:RBDHA:2026:8416

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer 09/075733-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Afpersing in vereniging en poging tot afpersing in vereniging. Gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een taakstraf van 80 uren. Overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/075733-23

Datum uitspraak: 3 april 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.A. Kamphuis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. R.A.J. Verploegh, naar voren is gebracht.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het verzoek tot schadevergoeding van [slachtoffer] .

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 december 2022

tot en met 26 februari 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van 2000 euro en/of 3400 euro, althans (meermalen) een hoeveelheid geld, en/of zijn portemonnee en/of identiteitspapieren, in elk geval enig goed, en/of tot het ter beschikking stellen van gegevens (gegevens uit de telefoon van die [slachtoffer] ), dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door

- een touw/koord om de nek van die [slachtoffer] te binden en dit touw (vervolgens) strak aan te trekken en/of

- die [slachtoffer] in het gezicht te slaan en/of

- een vuurwapen op die [slachtoffer] te richten en/of

- te dreigen die [slachtoffer] te vermoorden als hij de politie erbij haalt en/of

- te dreigen een bezoek te brengen aan de vrouw en/of kinderen van die [slachtoffer] als

hij niet betaalt;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 december 2022 tot en met 26 februari 2023 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van 2000 euro en/of 3400 euro, althans (meermalen) een hoeveelheid geld, en/of zijn portemonnee en/of identiteitspapieren, in elk geval enig goed, en/of tot het ter beschikking stellen van gegevens (gegevens uit de telefoon van die [slachtoffer] ), dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door

- te dreigen een bezoek te brengen aan de vrouw en/of kinderen van die [slachtoffer] als hij niet betaalt en/of

- te dreigen afbeeldingen en/of filmopnames en/of geluidsopnames van die [slachtoffer] openbaar te maken en/of aan de partner en/of familie van die [slachtoffer] te sturen;

2

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 23 december 2022 tot en met 19 maart 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) en/of tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld door het plaatsen van een onbekend gebleven persoon op de loonlijst van het bedrijf van die [slachtoffer]

- meermalen te dreigen de vrouw en/of kinderen iets aan te doen en/of

- meermalen te dreigen bij die [slachtoffer] thuis te komen en/of

- afbeeldingen te sturen van de vrouw en kinderen van die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op verschillende tijdstippen de periode van 23 december 2022 tot en met 19 maart 2023 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) en/of tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld door het plaatsen van een onbekend gebleven persoon op de loonlijst van het bedrijf van die [slachtoffer] door:

- meermalen te dreigen bij die [slachtoffer] thuis te komen en/of

- afbeeldingen te sturen van de vrouw en kinderen van die [slachtoffer] en/of

- te dreigen afbeeldingen en/of filmopnames en/of geluidsopnames van die [slachtoffer] openbaar te maken en/of aan de partner en/of familie van die [slachtoffer] te sturen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten bepleit. De raadsman heeft ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

Ten aanzien van het bewijs

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 23 december 2022 in de auto achter het slachtoffer zat. Uit verklaringen in het dossier blijkt dat de medeverdachte op de bijrijdersplek zat. Ten aanzien van het in die auto volgens het slachtoffer verrichte fysieke geweld en het dreigen met een vuurwapen, is bij de rechtbank persisterende twijfel. De verdachte zal dan ook van die delen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De dreigementen met geweld enerzijds en de afgifte van de € 2.000,-, de portemonnee, identiteitspapieren en de telefoongegevens anderzijds acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen. Daarvoor zijn de verklaringen van aangever de belangrijkste bewijsmiddelen, die steun vinden in verdere communicatie over het wissen van gegevens, over het afgegeven zijn van € 2.000,- en over het zullen bezoeken van de familie van de aangever. De feitelijkheid van het dreigen van het bezoeken van de familie is, gelet op de verdere dreigementen, zoals het dreigement de zoon te vermoorden, een bedreiging met geweld. Bij de weging van dat bewijs wordt in het oog gehouden dat de verdachte geen geloofwaardige verklaring heeft gegeven waarom hij daar en op dat moment van de dag samen met een ander bij aangever in de auto stapte.

Onder afgifte als bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht kan ook het gedogen dat het geld wordt weggenomen, worden begrepen (HR 20 december 1988, NJ 1989/683 en HR 17 mei 1994, NJ 1995/46). Dat de € 2.000,- van aangever zouden zijn afgepakt en niet afgegeven, staat dan ook niet aan de bewezenverklaring van afpersing in de weg.

De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat aangever onder bedreiging van geweld € 3.400,- heeft afgegeven op 26 februari 2023. Dit blijkt uit de verklaringen van aangever en van medeverdachte [medeverdachte 1] die het geld op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 2] in ontvangst heeft genomen.

Die dreigementen zijn voortgezet na 26 februari 2023, waarbij de telefoongegevens en de observatie bij de woning van de verdachte voldoende zijn voor het bewijs dat de verdachte het tweede feit heeft (mede)gepleegd. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het doen plaatsen van een onbekend gebleven persoon op de loonlijst van het bedrijf van het slachtoffer, omdat aangever hier zelf over heeft verklaard dat de medeverdachte, [medeverdachte 2] , op papier in dienst bij een van zijn vrienden wilde komen.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In de gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op tijdstippen in de periode van 23 december 2022 tot en met 26 februari 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld

[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van 2000 euro en 3400 euro, zijn portemonnee en identiteitspapieren, en tot het ter beschikking stellen van gegevens uit de telefoon van die [slachtoffer] , die aan die [slachtoffer] toebehoorden door te dreigen een bezoek te brengen aan de vrouw en/of kinderen van die [slachtoffer] als hij niet betaalt;

2

hij in de periode van 23 december 2022 tot en met 19 maart 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan die [slachtoffer] toebehoorde door:

- meermalen te dreigen de vrouw en kinderen iets aan te doen en

- meermalen te dreigen bij die [slachtoffer] thuis te komen en

- afbeeldingen te sturen van de vrouw en kinderen van die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 71 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte is met zijn mededader op een onverwacht moment bij aangever in diens auto gestapt, waarbij zij hem hebben bedreigd met geweld en geweld tegen zijn familie. Zij hebben hem € 2.000,- afgenomen. Daarbij hebben zij identiteits- en andere gegevens afgenomen. Vervolgens zijn zij doorgegaan met hun dreigementen, ook nadat het slachtoffer aanvullend € 3.400,- had afgegeven.

Zij hebben daardoor een ernstige inbreuk gemaakt op zijn gevoel van veiligheid en hebben het niet alleen bij hemzelf gelaten, maar ook zijn familie erbij betrokken. Na de ontmoeting in de auto, die dusdanig bedreigend is geweest dat slachtoffer hen in zijn auto duldde en geld en gegevens heeft afgegeven, zijn zij voor een langere periode doorgegaan met hun dreigementen. Zij zijn daarbij berekenend te werk gegaan door een aparte telefoon te gebruiken voor hun communicatie en door een ander het tweede geldbedrag te laten ophalen. Afpersing en ook de poging daartoe zijn ernstige feiten, die grote gevoelens van onveiligheid bij slachtoffers teweeg brengen, maar ook bij hun naaste omgeving en niet zelden bij de maatschappij in het algemeen.

Dit alles wordt de verdachte ernstig aangerekend.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 februari 2026, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 22 maart 2023, 1 mei 2023 en 12 oktober 2023.

Straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. In beginsel zou een gevangenisstraf van tien maanden passend en geboden zijn.

Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn met meer dan een jaar, zal de rechtbank de hierna te melden straf opleggen. Een deel daarvan zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst weer strafbare feiten te plegen. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal gelijk zijn aan het voorarrest.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 5.400,- aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 5.400,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Immateriële schade

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toe te wijzen bedrag

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.400,-, bestaande uit materiële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 2.000,- toewijzen met ingang van 23 december 2022 en over een bedrag van € 3.400,- toewijzen met ingang van 26 februari 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die data is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.400,-, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.000,- vanaf 23 december 2022, en over een bedrag van € 3.400,- vanaf 26 februari 2023, telkens tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2 primair:

poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 180 (HONDERDTACHTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 71 (EENENZEVENTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op één jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 80 (TACHTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 40 (VEERTIG) DAGEN;

de voorlopige hechtenis;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de vordering van de benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 5.400,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 2.000,- vanaf 23 december 2022 en over het bedrag van € 3.400,- vanaf 26 februari 2023, beiden tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

de schadevergoedingsmaatregel;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.400,-,

vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.000,- vanaf 23 december 2022, en over een bedrag van € 3.400,- vanaf 26 februari 2023, beide tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 52 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H.M. Smelt, voorzitter,

mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,

mr. S.S. Buisman, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.H.M. Smelt
  • mr. P.C. Goilo-Kam
  • mr. S.S. Buisman

Griffier

  • mr. C.W.I. Ostendorf

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?