Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/103548-21
Datum uitspraak: 3 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 14 november 2025 (regie) en 20 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.A. Kuipers, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. M.G.P. Glas, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 20 maart 2026 - ten laste gelegd dat:
1
hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 12 februari 2021 tot en met 16 april 2021 te Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een geldbedrag, te weten
a) 16.000,- euro en/of 38.990,- euro en/of 9.990,- euro (zaak 1)
b) 35.550,- euro (zaak 2)
c) 37.500,- euro (zaak 3)
in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele aan
a) [aangever 1]
b) [aangever 2]
c) [aangever 3]
in elk geval aan een ander dan aan verdacht en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) dat/die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) gebruik te maken van een bankpas en bijbehorende pincode tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededaders niet gerechtigd was/waren;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
één of meer (onbekend gebleven) personen in of omstreeks de periode van 12 februari 2021 tot en met 16 april 2021 te Rotterdam en/of Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een geldbedrag, te weten
a) 16.000,- euro en/of 38.990,- euro en/of 9.900,- euro (zaak 1, p. 16)
b) 35.550,- euro (zaak 2, p. 485 dossier 2)
c) 37.500,- euro (zaak 3, p. 546 dossier 2)
In elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan die (onbekend gebleven) personen en/of verdachte toebehoorde, te weten
a) [aangever 1]
b) [aangever 2]
c) [aangever 3]
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die (onbekend gebleven) personen en/of zijn mededaders zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedragen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) gebruik te maken van een bankpas en bijbehorende pincode tot het gebruik waarvan die onbekend gebleven personen niet gerechtigd was/waren, bij en/of tot het plegen van welke misdrijven/misdrijf verdachte (telkens) op een of meer tijdstippen in de periode van 12 februari 2021 tot en met 16 april 2021 te Rotterdam, althans in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door (telkens) een betaalautomaat ter beschikking te stellen;
2
hij in of omstreeks de periode van 12 februari 2021 tot en met 26 oktober 2021 te Rotterdam en/of Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (van) (een) geldbedrag(en), althans een of meer voorwerpen, te weten
a) 16.000,- euro en/of 38.990,- euro en/of 9.900 euro (zaak 1)
b) 35.550,- euro (zaak 2)
c) 37.500,- euro (zaak 3)
althans één of meer geldbedragen
- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad
en/of
a) 45.630,- euro en/of 7.592,92 euro (zaak 1)
b) 33.787,15 (zaak 2)
c) 13.000,- euro (zaak 3)
althans van één of meer geldbedragen
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of
- heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat/die geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat schuldwitwassen bewezen kan worden verklaard en dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het witwassen van de ten laste gelegde € 9.900,-.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat door drie personen aangifte is gedaan van – kort gezegd – bankpasfraude. Uit de aangiften komt een beeld naar voren van daders die in grote lijnen steeds een soortgelijke handelswijze hanteerden, waarbij onder valse voorwendselen bij de drie aangevers hun bankpas is weggenomen waarbij ook de daarbij behorende pincode is ontfutseld. Vervolgens werden met deze gestolen bankpassen en bijbehorende pincodes grote geldbedragen gepind bij (onder meer) de winkel van de verdachte, [bedrijf 1] B.V., waarna deze geldbedragen op de bankrekening van [bedrijf 1] B.V. werden gestort. Daarna maakte de verdachte vanaf deze bankrekening bedragen over naar onder andere zijn vriendin, naar [bedrijf 2] B.V., een ander bedrijf van de verdachte, of nam hij contante geldbedragen op bij geldautomaten in Rotterdam en Alphen aan den Rijn, zowel van de bankrekening van [bedrijf 1] B.V. als van de bankrekening van [bedrijf 2] B.V. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij 70% van het geld aan [medeverdachte 1] afstond en dat hij 30% zelf mocht houden.
Medeplegen ten aanzien van feit 1 primair
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet als medepleger van de onder 1 primair tenlastegelegde diefstallen kan worden gezien.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard, wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip (HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474).
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op verschillende momenten meerdere pintransacties heeft laten verrichten met drie gestolen pinpassen in zijn winkel. Er was sprake van een onderlinge taakverdeling, waarbij de verdachte samenwerkte met [medeverdachte 1] en andere onbekend gebleven derden die in zijn winkel kwamen pinnen. [medeverdachte 1] gaf door wanneer er gepind zou worden en de verdachte stelde zijn pinautomaat hiervoor beschikbaar. De verdachte had daarbij een essentiële rol omdat zonder het beschikbaar stellen van zijn pinautomaat de diefstallen van de geldbedragen niet zouden zijn voltooid.
Daarnaast leidt de rechtbank uit de chatberichten die door de verdachte zijn verstuurd en ontvangen af dat de verdachte wist dat met gestolen pinpassen werd gepind in zijn winkel. Zo stuurde hij op 12 februari 2021, na het pinnen van de geldbedragen met de pinpas van de aangever [aangever 1] , berichten met de volgende strekking aan zijn vriendin: “80K pp, haha zo zielig. Iemand al zijn geld.” en “Men is verzekerd bij de bank en die hebben toch miljarden.” Tevens heeft hij verklaard dat hij wist dat het geen zuivere koffie was, maar dat hij toch ermee bleef doorgaan. Deze wetenschap heeft hem er niet van weerhouden om door te blijven gaan met het laten pinnen van geldbedragen in zijn winkel met gestolen bankpassen en heeft hem niet doen besluiten zich terug te trekken.
Voor de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders is voldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank is van oordeel dat de bijdrage van de verdachte, zoals hierboven omschreven, van zodanig gewicht is geweest dat sprake was van medeplegen en dat dus het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Witwassen
De verdachte heeft in samenwerking met anderen met gestolen bankpassen geld laten pinnen in zijn winkel in de wetenschap dat deze bankpassen gestolen waren. Daarmee heeft de verdachte geld uit eigen misdrijf verworven en voorhanden gehad. Door vervolgens een deel van dit geld over te maken naar andere rekeningen, op te nemen bij geldautomaten en over te dragen aan [medeverdachte 1] , heeft de verdachte ook tezamen en in vereniging met een ander de werkelijke herkomst van een deel van het uit eigen misdrijf verkregen geld verhuld, dit geld overgedragen en omgezet en er gebruik van gemaakt.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van opzetwitwassen.
Vrijspraak van de ten laste gelegde 9.990 / 9.900 / 7.592,92 euro
De rechtbank ziet onvoldoende aanwijzingen in het dossier dat de verdachte bij de diefstallen en het witwassen nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn broertje [medeverdachte 2] , tevens eigenaar van de winkel [bedrijf 3] te Rotterdam. Bij laatstgenoemde winkel is in de ten laste gelegde periode ook een geldbedrag van 9.900 euro gepind met de pinpas van aangever [aangever 1] . Hoewel uit de aangetroffen chats op de telefoon van de verdachte blijkt dat de verdachte en zijn broertje elkaar op de hoogte hielden van de gelukte pintransacties in hun winkels, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een samenwerking of verdeling van de opbrengst tussen hen beiden. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde bedragen die betrekking hebben op de pintransactie bij de winkel [bedrijf 3] .
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank splitst het onder 2 ten laste gelegde uit in feiten 2a en 2b, waarbij het verwerven en voorhanden hebben van uit eigen misdrijf verkregen geldbedragen onder 2a bewezen wordt verklaard en het verbergen en verhullen van uit misdrijf verkregen geldbedragen onder 2b bewezen wordt verklaard.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van 12 februari 2021 tot en met 16 april 2021 te Rotterdam, telkens tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen, te weten
a) 16.000,- euro en/of 38.990,- euro
b) 35.550,- euro
c) 37.500,- euro
die aan
a) [aangever 1]
b) [aangever 2]
c) [aangever 3]
toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door telkens gebruik te maken van een bankpas en bijbehorende pincode tot het gebruik waarvan hij, verdachte en zijn mededaders niet gerechtigd waren;
2a
hij in de periode van 12 februari 2021 tot en met 26 oktober 2021 te Rotterdam en/of Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, geldbedragen, te weten
a) 16.000,- euro en/of 38.990,- euro
b) 35.550,- euro
c) 37.500,- euro
heeft verworven en voorhanden heeft gehad
terwijl hij, verdachte, wist, dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;
2b
hij in de periode van 12 februari 2021 tot en met 26 oktober 2021 te Rotterdam en/of Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, (van) geldbedragen, te weten
a) 45.630,- euro
b) 33.787,15 euro
c) 8.083,08 euro
- de herkomst heeft verhuld,
- heeft overgedragen en heeft omgezet en
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Ten aanzien van de feiten 1 en 2b
Het bewezen verklaarde onder de feiten 1 en 2b is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van die feiten uitsluiten.
Ten aanzien van feit 2a
De rechtbank is van oordeel dat, zoals gevorderd, de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 2a.
De rechtbank stelt voorop dat de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) er niet aan in de weg staan dat iemand wordt veroordeeld voor witwassen, als hij een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit een misdrijf dat hij zelf heeft begaan. Dit betekent niet dat elke gedraging die in art. 420bis lid 1 Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat, als vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan alleen het verwerven of voorhanden hebben van een door eigen misdrijf verkregen voorwerp.
De rechtbank heeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geoordeeld dat de onder feit 2a ten laste gelegde geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en bewezen verklaard dat de verdachte die geldbedragen heeft witgewassen door ze te verwerven en voorhanden te hebben. De rechtbank acht echter alleen bewezen dat de verdachte tot de hoogte van de geldbedragen zoals bewezen verklaard onder 2b een of meer handelingen met dit geld heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van deze geldbedragen, door deze over te boeken naar andere rekeningen, op te nemen en/of over te dragen.
Dit betekent dat het onder 2a bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd en daarom geen strafbaar feit oplevert. De verdachte zal derhalve ter zake van het bewezenverklaarde feit 2a worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een taakstraf moet worden opgelegd en geen (voorwaardelijke) gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer drie maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal met gestolen bankpassen. Deze bankpassen waren verkregen door zogenoemde bankpasfraude, waarbij op slinkse en schaamteloze wijze de bankpassen met de bijbehorende pincodes zijn bemachtigd. In de winkel van de verdachte werden met die gestolen bankpassen grote geldbedragen van in totaal bijna € 130.000,- gepind. Het misbruiken van een pinautomaat van een legale onderneming om strafbare feiten te plegen, heeft een ondermijnend effect op de samenleving. Tevens raken dit soort feiten slachtoffers van de gestolen bankpassen vanzelfsprekend in financiële zin, maar is het vooral hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens die ernstig wordt aangetast. Ook zorgen dit soort feiten voor gevoelens van schaamte, stress en angst bij de slachtoffers en in de maatschappij in algemene zin. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers en alleen aan zijn eigen financiële gewin gedacht. Dat blijkt ook concreet uit een bericht als “80K pp, haha zo zielig. Iemand al zijn geld”. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen door het gepinde geld met de gestolen bankpassen naar andere rekeningen over te boeken of het contant op te nemen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 maart 2026, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Overschrijding van de redelijke termijn
De verdachte heeft het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de op zijn redelijkheid te toetsen termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 26 oktober 2021, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Hij kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. De termijn eindigt met het wijzen van dit vonnis op 3 april 2026. Hieruit volgt dat de termijn waarbinnen de verdachte had moeten worden berecht in totaal met bijna twee en een half jaren is overschreden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, zal de rechtbank dit compenseren door middel van strafvermindering.
Straf
Indien geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zou de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden hebben gevonden. Gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn van berechting en het feit dat de verdachte nadien niet in aanraking is gekomen met politie en justitie vanwege soortgelijke feiten, acht de rechtbank de eis van de officier van justitie, te weten de oplegging van een taakstraf voor de tijd van 100 uren, met aftrek van de tijd die is doorgebracht in verzekering, passend en geboden.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 269.495,69, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. ABN AMRO vordert tevens een proceskostenvergoeding van € 360,-.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 103.727,- en tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij voor het overige. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing, subsidiair omdat het geen rechtstreekse schade betreft en meer subsidiair omdat behandeling van de vordering een onredelijke belasting van het strafgeding oplevert. Mocht de rechtbank de vordering van de benadeelde partij ontvankelijk verklaren, dan kan de vordering worden toegewezen tot een bedrag van € 10.377,70,-. De vordering tot proceskostenvergoeding moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Er moet geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd, aldus de raadsman
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade heeft geleden.
Dat ABN AMRO de schade, die volgt uit de bewezenverklaringen, heeft geleden blijkt uit de bankafschriften van de uitbetaling van de schade door ABN AMRO aan de betreffende slachtoffers. ABN AMRO heeft daarmee de gevorderde schade voldoende onderbouwd. ABN AMRO heeft schade geleden door het uitbetalen van schadeloosstellingen aan de aangevers in deze zaak en deze schade is een rechtstreeks gevolg geweest van het onder 1 bewezenverklaarde feit (vgl. ECLI:NL:HR:2023:322). De rechtbank zal dan ook de gevorderde schadevergoeding van ABN AMRO toewijzen, voor zover deze ziet op de vergoede schade van slachtoffers ten aanzien waarvan de rechtbank het medeplegen van diefstal van de geldbedragen bewezen heeft verklaard.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor naar burgerlijk recht ieder hoofdelijk aansprakelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak af te wijken van het uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid. Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 103.727,-, bestaande uit materiële schade. De rechtbank zal voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de overige gevorderde schade geen rechtstreekse schade is die is toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde feit.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van het bedrag van € 54.990,- toewijzen met ingang van 16 februari 2022, ten aanzien van het bedrag van € 35.550,- toewijzen met ingang van 30 maart 2022 en ten aanzien van het bedrag van € 13.187,- toewijzen met ingang van 28 oktober 2021, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat pas schade is ontstaan voor ABN AMRO nadat zij een klant schadeloos heeft gesteld.
Proceskostenvergoeding
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 360,- toe, nu dit bedrag voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat ABN AMRO een professionele partij is die in staat moet worden geacht de vordering zelf te incasseren. De rechtbank ziet – mede gelet op de waarde van het conservatoir beslag dat is gelegd – geen reden om af te wijken van hetgeen de officier van justitie en de raadsman hierover naar voren hebben gebracht.
8. De toepasselijke wetsartikelen
9. De beslissing
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 2a;
verklaart dat het overige bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 primair:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2b:
medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;
verklaart ten aanzien van de feiten 1 en 2b het bewezen verklaarde strafbaar;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van 100 (HONDERD) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 50 (VIJFTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 103.727,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover ten aanzien van het bedrag van € 54.990,- vanaf 16 februari 2022, ten aanzien van het bedrag van € 35.550,- vanaf 30 maart 2022 en ten aanzien van het bedrag van € 13.187,- vanaf 28 oktober 2021 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan ABN AMRO Bank N.V.;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op € 360,-, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als een mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.C. Goilo-Kam, voorzitter,
mr. G.H.M. Smelt, rechter,
mr. S.S. Buisman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2026.