ECLI:NL:RBDHA:2026:8421

ECLI:NL:RBDHA:2026:8421

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer 09/070717-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vrijspraak van afpersing in vereniging en afdreiging in vereniging. Medeplichtigheid aan afpersing in vereniging. Gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/070717-23

Datum uitspraak: 3 april 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ( [land] ),

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.A. Kamphuis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J. Gravesteijn, naar voren is gebracht.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het verzoek tot schadevergoeding van [aangever] .

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 december 2022 tot en met 26 februari 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van 2000 euro en/of 3400 euro, althans (meermalen) een hoeveelheid geld, en/of zijn

portemonnee en/of identiteitspapieren, in elk geval enig goed, en/of tot het ter beschikking stellen van gegevens (gegevens uit de telefoon van die [aangever] ), dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n) door

- een touw/koord om de nek van die [aangever] te binden en dit touw (vervolgens) strak aan te trekken en/of

- die [aangever] in het gezicht te slaan en/of

- een vuurwapen op die [aangever] te richten en/of

- te dreigen die [aangever] te vermoorden als hij de politie erbij haalt en/of

- te dreigen een bezoek te brengen aan de vrouw en/of kinderen van die [aangever] als

hij niet betaalt;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 december 2022 tot en met 26 februari 2023 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van 2000 euro en/of 3400 euro, althans (meermalen) een hoeveelheid geld, en/of zijn portemonnee en/of identiteitspapieren, in elk geval enig goed, en/of tot het ter beschikking stellen van gegevens (gegevens uit de telefoon van die [aangever] ), dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n) door

- te dreigen een bezoek te brengen aan de vrouw en/of kinderen van die [aangever] als hij niet betaalt en/of

- te dreigen afbeeldingen en/of filmopnames en/of geluidsopnames van die [aangever] openbaar te maken en/of aan de partner en/of familie van die [aangever] te sturen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 december 2022 tot en met 26 februari 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van 2000 euro en/of 3400 euro, althans (meermalen) een hoeveelheid geld, en/of zijn portemonnee en/of identiteitspapieren, in elk geval enig goed, en/of tot het ter beschikking stellen van gegevens (gegevens uit de telefoon van die [aangever] ), dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n) door

- een touw/koord om de nek van die [aangever] te binden en dit touw (vervolgens) strak aan te trekken en/of

- die [aangever] in het gezicht te slaan en/of

- een vuurwapen op die [aangever] te richten en/of

- te dreigen die [aangever] te vermoorden als hij de politie erbij haalt en/of

- te dreigen een bezoek te brengen aan de vrouw en/of kinderen van die [aangever] als hij niet betaalt,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 26 februari 2023

te Rijswijk en/of 's-Gravenhage, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door 3400 euro, althans

enig geldbedrag, van die [aangever] in ontvangst te nemen.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Vrijspraak

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij. Het dossier en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, bieden onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de rol van de verdachte van zodanige aard was dat hij als medepleger kan worden gezien.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In de gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 26 februari 2023 in Den Haag

€ 3.400,- van aangever heeft meegenomen, dat dat geld voor medeverdachte [medeverdachte] was, dat hij het ophaalde omdat [medeverdachte] hem dat had gevraagd en dat hij het aan [medeverdachte] heeft gegeven.

De bedreigingen door de plegers van de afpersing zijn begonnen op 23 december 2022, nadat ze bij aangever in de auto waren gestapt. [medeverdachte] is een van die plegers. De dreigementen met geweld acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen. Daarvoor zijn de verklaringen van aangever de belangrijkste bewijsmiddelen die steun vinden in verdere communicatie over het wissen van gegevens, over het afgegeven zijn van € 2.000,- en over het zullen bezoeken van de familie van de aangever. De feitelijkheid van het dreigen van het bezoeken van de familie is, gelet op de verdere dreigementen, zoals het dreigement de zoon te vermoorden, een bedreiging met geweld.

Verder gebruikt de rechtbank de verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris voor het bewijs. Daar verklaart hij dat aangever hem had verteld “dat ze hem hebben gelokt op een avond en dat ze al die dingen hebben gedaan bij hem”, dat hij gezegd had dat aangever het geld niet moest geven en dat hij er niets mee te maken wilde hebben. Later in dat verhoor verklaart hij dat aangever hem die dag van het geld ophalen had verteld wat de twee anderen, waarbij wordt gerefereerd aan de plegers van de afpersing, bij hem hadden gedaan.

Daaruit volgt dat verdachte ten minste in voorwaardelijke zin het voor medeplichtigheid vereiste dubbele opzet had. Hij wist immers dat de aangever werd afgeperst, maar heeft toch de € 3.400,- in ontvangst genomen en aan [medeverdachte] afgegeven.

De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen en verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

personen op tijdstippen in de periode van 23 december 2022 tot en met 26 februari 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] hebben gedwongen tot de afgifte van 3400 euro, die aan die [aangever] toebehoorde door te dreigen een bezoek te brengen aan de vrouw en/of kinderen van die [aangever] als hij niet betaalt,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 26 februari 2023 te Rijswijk of 's-Gravenhage, opzettelijk behulpzaam is geweest door 3400 euro van die [aangever] in ontvangst te nemen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 68 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een straf moet worden opgelegd die gelijk is aan het voorarrest en geen aanvullende straf moet worden opgelegd. Voorts dient rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft voor een ander een groot geldbedrag van slachtoffer aangenomen. Hij deed dat op verzoek van die ander en nadat hij van het slachtoffer had gehoord dat hij door die ander en een mede-afperser in een auto was gelokt en bedreigd. Door alsnog dat geld aan te nemen voor die ander is hij medeplichtig aan de afpersing van het slachtoffer. Hij is de afpersers behulpzaam geweest bij hun afpersing door als tussenpersoon te fungeren bij de afgifte van het geld.

Afpersing door bedreiging met geweld is een feit dat een ernstige inbreuk maakt op het gevoel van veiligheid van de bedreigde. Die inbreuk was in dit geval zo ernstig dat het slachtoffer zich een groot geldbedrag afhandig heeft laten maken. Door bij die afpersing behulpzaam te zijn heeft verdachte laten zien zich niets van de belangen van het slachtoffer aan te trekken. Dat wordt hem zwaar aangerekend.

De verdachte heeft geen inzicht gegeven in zijn motieven. De aanvankelijke openheid over wat hij wist van hetgeen het slachtoffer was overkomen, was op zitting gereduceerd tot een ‘niet meer precies kunnen herinneren’. Ook verder is niet gebleken dat de verdachte inzicht heeft in de laakbaarheid van zijn handelen. Dat weegt ook niet in zijn voordeel mee.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 februari 2026, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 22 maart 2023, 1 mei 2023 en 19 september 2023.

Straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. In beginsel zou een gevangenisstraf van acht maanden passend en geboden zijn.

Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn met meer dan een jaar zal de rechtbank de hierna te melden straf opleggen. Die zal gelijk zijn aan het voorarrest.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 5.400,- aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 5.400,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Hiertoe is primair aangevoerd dat, in geval van een bewezenverklaring, de rol van de verdachte aanzienlijk kleiner was dan die van de medeverdachten, waardoor nader onderzoek naar een redelijke verdeling van een toe te wijzen schadevergoeding onder hem en de medeverdachten een onevenredige belasting voor het strafgeding zou opleveren. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van een bedrag van € 3.400,-.

De overige gevorderde materiële schade vloeit niet rechtstreeks voort uit het bewezenverklaarde feit, zodat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Immateriële schade

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte voldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toe te wijzen bedrag

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.400,-, bestaande uit materiële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over € 3.400,- toewijzen met ingang van 26 februari 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte medeplichtig is aan de afpersing door anderen zijn hij en de plegers ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen € 3.400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 februari 2023, tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] .

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 48, 49 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

medeplichtigheid aan afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 52 (TWEEËNVIJFTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering van de benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.400,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 februari 2023, tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever] ;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in het resterende deel van de vordering tot vergoeding van materiële schade;

bepaalt dat de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als (een van) de ander(en) die tot vergoeding van dezelfde schade is veroordeeld de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

de schadevergoedingsmaatregel;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van

€ 3.400,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 februari 2023, tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 34 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat als (een van) de ander(en) die tot vergoeding van dezelfde schade is veroordeeld de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H.M. Smelt, voorzitter,

mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,

mr. S.S. Buisman, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.H.M. Smelt
  • mr. P.C. Goilo-Kam
  • mr. S.S. Buisman

Griffier

  • mr. C.W.I. Ostendorf

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?