[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Grigorjan),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet op de zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Heeft eiser procesbelang bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep?
4. Met de brief van 24 maart 2026 heeft de minister de rechtbank geïnformeerd dat uit informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) is gebleken dat eiser op 18 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken zonder de beslissing op zijn verzoek om internationale bescherming af te wachten. In reactie daarop heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser op 24 maart 2026 verzocht om aan te geven of zij nog contact met eiser onderhoudt. Op 26 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank geïnformeerd dat zij nog contact met eiser heeft. Daarbij is verzocht om het beroep te behandelen op hetgeen in de stukken is aangevoerd, omdat gemachtigde verhinderd is om naar de zitting te komen.
Op de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het procesbelang van eiser bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep is vervallen door het met onbekende bestemming vertrekken van eiser. De minister stelt dat uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), volgt dat het enkel bestaan van contact tussen een gemachtigde en de vreemdeling niet voldoende is om belang bij de inhoudelijke behandeling van het beroep aan te nemen.
Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem of haar gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag er in beginsel van uit worden gegaan dat de vreemdeling nog procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft.
De rechtbank volgt het standpunt van de minister niet en oordeelt – met inachtneming van bovenstaand toetsingskader – dat eiser nog altijd belang heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn beroep. De gemachtigde van eiser heeft immers op 26 maart 2026 nog aangegeven dat zij nog contact met eiser onderhoudt. Dat maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser nog prijs stelt op bescherming in Nederland en een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Omdat de rechtbank procesbelang aanneemt is het beroep ontvankelijk en gaat zij hieronder over tot een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden van eiser.
Mag de minister voor Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn asielverzoek niet in behandeling neemt. Eiser stelt namelijk dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. De minister kan voor Kroatië niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat er sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en in de opvangvoorzieningen. Het AIDA-rapport 2024 over Kroatië ondersteunt dit betoog. Uit het rapport volgt namelijk dat de situatie voor Dublinclaimanten die terugkeren structureel problematisch is. Dublin terugkeerders ontvangen volgens het rapport geen informatie bij aankomst in Kroatië. Ook ontbreekt het hen aan de toegang tot opvang en moeten zij de luchthaven soms direct verlaten. Verder hebben veel asielzoekers psychische klachten en bij de overdracht ontbreekt met regelmaat het medisch dossier, waardoor de continuïteit van de zorg niet gewaarborgd is. Daarbij komt dat de opvangvoorzieningen ondermaats zijn, met slechte hygiëne en beperkte toegang tot zorg. Ook maakt Kroatië zich schuldig aan pushbacks. Daarnaast heeft de minister eisers individuele omstandigheden onvoldoende bij de besluitvorming betrokken. Eiser is eerder overgedragen aan Kroatië en heeft hierover verklaard dat hij tijdens zijn verblijf in Kroatië is mishandeld en dat hij werd geïntimideerd door politie en medewerkers van het opvangkamp. Ook moest hij bedorven voedsel eten, was kritiek verboden en ontwikkelde hij psychische klachten, waaronder suïcidale gedachten. De minister werpt ten onrechte tegen dat eiser hierover een klacht had moeten indienen, omdat Dublinclaimanten vaak geen informatie krijgen over hun rechten en de toegang tot klachtenmechanismen ontbreekt. Daarbij komt dat ook de medisch/psychische situatie van eiser niet is beoordeeld. Vanwege de opgelopen mentale klachten en suïcidale gedachten staat eiser onder behandeling. De minister stelt ten onrechte dat eiser hiervan geen stukken heeft overgelegd en gaat daarmee voorbij aan de eigen verplichting om ambtshalve onderzoek te verrichten naar eisers kwetsbaarheid.
In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat de minister er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat de minister uit eigen beweging ook rekening moet houden met relevante en objectieve informatie over Kroatië. Hij mag een vreemdeling niet overdragen als hij niet onkundig kan zijn van de omstandigheid dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen zijn waardoor een vreemdeling een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat voor Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit uitgangspunt is meermaals door de Afdeling bevestigd, onder andere in haar uitspraken van 9 oktober 2024 en 6 maart 2025. Eiser heeft vervolgens niet aannemelijk gemaakt dat er in Kroatië wél sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en in de opvangvoorzieningen. In het AIDA-rapport over 2024 waar eiser naar heeft verwezen wordt weliswaar melding gemaakt van ontoereikende hygiëne in de opvangvoorzieningen, beperkte toegang tot gezondheidszorg en onvoldoende voorzieningen. Ook wordt verwezen naar pushbacks door de Kroatische autoriteiten en een toename van politiegeweld. Met de verwijzing naar het rapport heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 een eerder rapport over 2024 betrokken en is daarbij ook ingegaan op de vraag of Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks. Dit oordeel is herhaald in de uitspraak van 6 maart 2025. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de situatie nadien in relevante mate is gewijzigd. Wat eiser heeft aangevoerd over zijn eigen ervaringen, biedt geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. Daarbij is van belang dat de Kroatische overheid met het claimakkoord garandeert dat eiser als Dublinterugkeerder zal worden behandeld overeenkomstig de Europese richtlijnen, namelijk de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn. In het geval de Kroatische autoriteiten zich niet aan de Europese richtlijnen houden, is het aan eiser om hierover te klagen. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestond of bestaat. Evenmin is gebleken dat eiser een klacht heeft ingediend over de ontoereikende omstandigheden in de opvangvoorzieningen en de gestelde mishandeling en intimidatie die hij tijdens een eerder verblijf in Kroatië zou hebben meegemaakt. Dit terwijl uit vaste jurisprudentie volgt dat een vreemdeling hierover een klacht kan indienen bij de Kroatische autoriteiten.
Tussenconclusie
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich gelet op bovenstaande overwegingen terecht op het standpunt dat er, ook in specifieke geval van eiser, voor Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister aanleiding moeten zien om toepassing te geven aan artikel 16 van de Dublinverordening vanwege eisers psychische kwetsbaarheid?
6. Eiser betoogt dat de minister artikel 16 van de Dublinverordening onjuist heeft toegepast. De ouders en negen broers en zussen van eiser verblijven sinds twee maanden rechtmatig in Nederland. De minister stelt ten onrechte dat eiser dit niet nader heeft onderbouwd, terwijl de minister gemakkelijk kan verifiëren of deze informatie klopt. Eiser is psychisch kwetsbaar en afhankelijk van zijn familieleden. Bij overdracht naar Kroatië wordt eiser van zijn familie gescheiden, wat maakt dat zijn psychische toestand verder zal verslechteren.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht geconcludeerd dat artikel 16 van de Dublinverordening niet van toepassing is op eisers situatie. Voor een geslaagd beroep op artikel 16 van de Dublinverordening is namelijk onder andere vereist dat het kind, de broer of zus, of de ouder van de vreemdeling rechtmatig in een van de lidstaten verblijft. In de eerste plaats heeft eiser niet met documenten onderbouwd dat zijn ouders en broers en zussen in Nederland verblijven. Verder heeft eiser niet nader geconcretiseerd en onderbouwd dat tussen hem en zijn familie sprake is van afhankelijkheid in de zin van artikel 16 van de Dublinverordening. Eiser stelt weliswaar dat hij psychisch kwetsbaar is en dat daarin zijn kwetsbaarheid en afhankelijkheid is gelegen, maar dit betoog heeft hij niet gestaafd met medische documenten. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister aanleiding moeten zien om eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen?
7. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte niet op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling heeft genomen omdat overdracht aan Kroatië in zijn bijzondere omstandigheden van onevenredige hardheid getuigt. Gelet op de structurele tekortkomingen in Kroatië, de eerdere mishandeling van eiser, zijn psychische kwetsbaarheid en de aanwezigheid van zijn directe familie in Nederland, had de minister aanleiding moeten zien om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid en eisers aanvraag in behandeling moeten nemen. De minister heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom daarvoor geen aanleiding bestaat.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om eisers asielaanvraag vanwege bijzondere individuele omstandigheden onverplicht in behandeling te nemen, omdat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. Er zijn in de eerste plaats geen concrete aanwijzingen dat Kroatië als verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De rechtbank verwijst naar haar oordeel onder 5.2. Verder stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser geen recente medische documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn betoog dat hij psychisch kwetsbaar is. Ook kan eiser op grond van artikel 32 van de Dublinverordening toestemming geven voor de uitwisseling van medische gegevens tussen Nederland en Kroatië. De autoriteiten van Kroatië worden dan voor de overdracht geïnformeerd over eventuele bijzondere medische behoeften. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister er namelijk van uitgaan dat Kroatië aan eiser de noodzakelijke medisch psychische zorg zal bieden. Met inachtneming van het bovenstaande heeft de minister in de psychische en andere naar voren gebrachte omstandigheden van eiser, dan ook geen aanleiding hoeven zien om zijn asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.