RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser ], V-nummer: [nummer 1], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.18141 en NL25.18143
[eiseres] , V-nummer: [nummer 2], eiseres,
hierna tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en
(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).
Procesverloop
Bij besluiten van 10 april 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvragen) afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben op 17 april 2025 beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Op 28 april 2025 en 19 mei 2025 hebben eisers beroepsgronden en nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 september 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1996 en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 2001 en heeft eveneens de Iraanse nationaliteit. Eiser en eiseres zijn in Iran (traditioneel) met elkaar gehuwd. Zij hebben op 12 december 2022 asiel aangevraagd in Nederland.
De asielaanvragen
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is in Iran opgegroeid in een gezin met een religieuze moeder en een vader die alcoholist was. Toen eiser ouder werd kreeg hij door dat de islam de bron was van alle ellende die hij had meegemaakt. Vanaf zijn eenentwintigste is hij afvallig. Eiser is ook politiek actief geworden en heeft in Iran deelgenomen aan diverse demonstraties tegen de autoriteiten. Tijdens een demonstratie in 2019 is hij opgepakt, waarna hij drie dagen heeft vastgezeten.
Eiser heeft in 2018 eiseres leren kennen. Zij waren verliefd, maar eiseres was door haar moeder beloofd aan haar neef [naam 2]. In 2022 hebben eiser en eiseres een tijdelijk huwelijk gesloten. Dit was tegen het zere been van [naam 2]. [naam 2] heeft er vervolgens voor gezorgd dat er invallen hebben plaatsgevonden in de huiskerk waar eiseres naartoe ging, het huis waar eiseres woonde en het huis van eisers tante, waar eiser woonde. Bij laatstgenoemde inval hebben de autoriteiten de ‘politieke spullen’ van eiser meegenomen. Eisers zijn vervolgens ondergedoken en twee weken later hebben zij Iran verlaten.
In Nederland neemt eiser deel aan demonstraties tegen het Iraanse regime. Hij post hierover op zijn Instagram-pagina. Hierop plaatst hij ook berichten waarin hij zijn afkeer uitspreekt over de islam en het Iraanse regime.
Bij terugkeer naar Iran vreest eiser voor het Iraanse regime en voor [naam 2].
Eiseres heeft aan haar asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres heeft van jongs af aan negatieve ervaringen gehad met het islamitisch geloof. Toen zij in 2018 eiser leerde kennen, las hij haar voor uit de Koran, waardoor zij een verder negatief beeld kreeg over de islam. Zij werd afvallig. In 2019 kwam zij via een vriendin in contact met het christendom. In 2020 is eiseres bekeerd. Zij bezocht regelmatig een huiskerk in Iran en verdiepte zich in de bijbel.
In die periode kreeg eiseres ook problemen met haar neef [naam 2]. Eiseres was door haar moeder aan [naam 2] beloofd, maar dat wilde eiseres niet. Om dat te voorkomen hebben zij en eiser een tijdelijk huwelijk gesloten. [naam 2] was boos hierover. Hij achtervolgde haar, confronteerde haar en kwam langs aan de deur van de huiskerk die eiseres bezocht. Door toedoen van [naam 2], die bij de inlichtingendienst werkt, hebben er invallen plaatsgevonden in de huiskerk, het huis van eiseres en het huis waar eiser woonde. Eisers zijn vervolgens ondergedoken en twee weken later hebben zij Iran verlaten.
In Nederland gaat eiseres naar de kerk, volgt zij Bijbelstudie en evangeliseert zij. Ook heeft zij in Nederland deelgenomen aan enkele demonstraties tegen het Iraanse regime.
Bij terugkeer naar Iran vreest eiseres voor het Iraanse regime en voor [naam 2].
De bestreden besluiten
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- afvalligheid van de islam;
- politieke overtuiging en politieke activiteiten;
- huisinval bij eisers tante.
Verweerder heeft de eerste drie elementen van eisers asielrelaas geloofwaardig geacht. De huisinval in het huis van zijn tante acht verweerder echter ongeloofwaardig, omdat in dit verband niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De geloofwaardig geachte elementen leveren volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op het voorgaande heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- afvalligheid van de islam;
- bekering tot het christendom;
- deelname aan demonstraties in Nederland.
Verweerder heeft het eerste, tweede en vierde element geloofwaardig geacht. De bekering van eiseres tot het christendom acht verweerder echter ongeloofwaardig, omdat in dit verband niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. De geloofwaardig geachte elementen leveren volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiseres een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
Beroepsgronden
Eiser heeft tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd.
Verweerder heeft ten onrechte de huisinval bij zijn tante ongeloofwaardig geacht. Hem is niet aan te rekenen dat hij niet meer weet over de inval en hij heeft hierover niet tegenstrijdig verklaard.
Verweerder heeft verder ten onrechte niet aangenomen dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn afvalligheid en politieke overtuiging. Eiser heeft duidelijk verklaard hoe zijn afvalligheid voor hem persoonlijk heeft gevoeld en hoe hij zich wil uiten over zijn afvalligheid bij terugkeer en waarom dit belangrijk voor hem is. Een verklaring dat hij moslim is, zal hij bij aankomst op het vliegveld in Iran niet tekenen. Hij neemt deel aan demonstraties tegen het regime en plaatst religieus-politieke berichten op sociale media. Gelet op het aantal volgers en ‘views’ is er een groot risico om in de negatieve belangstelling te komen van de Iraanse autoriteiten, voor zover hij dat niet al staat. Bovendien heeft verweerder niet onderkend dat eisers afvalligheid en politieke overtuiging met elkaar verband houden en niet los van elkaar gezien kunnen worden.
Eiseres heeft tegen de afwijzing van haar asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd.
Verweerder heeft ten onrechte haar bekering tot het christendom niet geloofwaardig bevonden. Zij heeft uitvoerig verklaard over de persoonlijke betekenis van het christelijk geloof in haar leven en het proces dat zij doorlopen heeft. Het verslag van het geloofsgesprek onderbouwt haar verklaringen. Verweerder legt te eenzijdig de nadruk op het proces van bekering. De kennis van het geloof en de activiteiten die eiseres ontplooit moeten volgens eiseres ook het nodige gewicht krijgen. Ook heeft verweerder haar ten onrechte tegengeworpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over de houding van haar moeder ten aanzien van haar bekering. Eiseres bestrijdt verder dat het niet geloofwaardig is dat zij [naam 2] verteld zou hebben over haar bekering. Eiseres was nog jong en naïef, zij dacht dat zij hem kon vertrouwen omdat hij haar neef is en dat hij haar met rust zou laten als zij tegen hem zou zeggen dat zij bekeerd is en de islam niet meer volgt. Dat [naam 2] dat niet deed en juist voor (meer) problemen zou zorgen, kon eiseres niet weten.
Verweerder heeft verder ten onrechte gesteld dat eiseres haar afvalligheid niet uitdraagt. Dat doet zij wel degelijk en op grond daarvan heeft zij een gegronde vrees heeft voor vervolging. Ook vanwege haar bekering is er bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade, zo stelt eiseres.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank toetst de bestreden besluiten aan de hand van de beroepsgronden die eisers daartegen hebben aangevoerd. Hierna, onder 7.1. tot en met 8.2, gaat de rechtbank eerst in op de (geloofwaardigheid van de) problemen met [naam 2], in zowel de zaak van eiser als die van eiseres. Daarna, onder 9.1. tot en met 9.6, beoordeelt de rechtbank of verweerder in de zaak van eiseres deugdelijk heeft gemotiveerd dat de bekering van eiseres tot het christendom ongeloofwaardig is. Vervolgens, onder 10.1. tot en met 10.16, zal de rechtbank beoordelen of verweerder in de zaken van eisers deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat zij bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees hebben voor vervolging vanwege hun geloofwaardige afvalligheid. Tot slot, onder 11.1. tot en met 11.6, zal de rechtbank beoordelen of verweerder in de zaak van eiser deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege zijn geloofwaardige politieke overtuiging en activiteiten.
Problemen met [naam 2]
In de zaak van eiser (NL25.18141)
De problemen met [naam 2] komen in de zaak van eiser concreet tot uiting in de vorm van een (door [naam 2] georganiseerde) huisinval bij zijn tante. Dit is door verweerder ook aangemerkt en beoordeeld als relevant asielelement. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser slechts weinig concrete informatie over de huisinval heeft verstrekt. Zo wist eiser niet hoe het met zijn tante ging na de inval en of zij gewond was geraakt, en ook veel feitelijke informatie over de huisinval zelf heeft hij niet kunnen verstrekken. Verweerder verwacht niet ten onrechte van eiser dat hij over de huisinval meer en concreter moet kunnen verklaren dan hij heeft gedaan, vooral omdat dit één van de directe redenen voor eiser is geweest om Iran te ontvluchten. Weliswaar was eiser niet zelf bij de huisinval aanwezig, maar zijn tante was dat wel. Verweerder stelt niet ten onrechte dat mocht worden verwacht dat eiser bij zijn tante, bij wie hij inwoonde, navraag zou doen over de huisinval om zo meer over die inval en over de gevolgen daarvan voor zijn eigen veiligheid te weten te komen. Nu eiser dus summier heeft verklaard terwijl er meer van hem mocht worden verwacht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over de huisinval bij zijn tante geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat dus niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Nu niet aan deze voorwaarde is voldaan, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de huisinval bij eisers tante (door toedoen van [naam 2]) ongeloofwaardig is.
Het vorenstaande laat evenwel onverlet dat als in de zaak van eiseres geloofwaardig wordt bevonden dat zij problemen met [naam 2] heeft ondervonden en dat zij om die reden bij terugkeer naar Iran een veiligheidsrisico loopt (zie overweging 8.1.), dit zijn weerslag kan hebben op de zaak van eiser, omdat hij, als echtgenoot van eiseres, dan mogelijk bij terugkeer naar Iran ook een (afgeleid) veiligheidsrisico loopt.
In de zaak van eiseres (NL25.18143)
De rechtbank stelt vast dat verweerder in de zaak van eiseres de problemen met [naam 2] (bestaande uit onder andere: opdringen om te trouwen, confrontaties, achtervolgingen, inval bij de huiskerk en inval in de woning) niet als afzonderlijk asielmotief heeft aangemerkt. Dat had naar het oordeel van de rechtbank wel gemoeten, omdat dit een verhaallijn is die evident in verband staat met artikel 3 van het EVRM (en mogelijk zelfs vluchtelingschap). Het gevolg hiervan is dat verweerder de problemen van eiseres met [naam 2], ten onrechte, niet integraal op geloofwaardigheid heeft beoordeeld. Weliswaar heeft verweerder in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiseres [naam 2] heeft verteld over haar bekering en dat het daarom ook niet aannemelijk is dat er door toedoen van [naam 2] invallen hebben plaatsgevonden in de huiskerk en de woning van eiseres, maar dit betreft geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van de problemen van eiseres met [naam 2]. Er is namelijk veel meer voorgevallen tussen eiseres en [naam 2] en bovendien geldt dat de oorzaak van de problemen met [naam 2] niet is gelegen in de bekering van eiseres, maar in de weigering van eiseres om met [naam 2] te trouwen. Dit heeft verweerder, ten onrechte, helemaal niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Verweerder heeft zich vervolgens, in het kader van de risico-inschatting(/zwaarwegendheidsbeoordeling), wel op het standpunt gesteld dat de vrees van eiseres voor [naam 2] bij terugkeer naar Iran niet aannemelijk is omdat eiseres haar problemen met [naam 2] niet aannemelijk(/geloofwaardig) heeft gemaakt. Dit standpunt berust niet op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering, nu verweerder de problemen van eiseres met [naam 2] dus niet integraal op geloofwaardigheid heeft beoordeeld.
Het op eiseres betrekking hebbende bestreden besluit bevat op dit punt dan ook gebreken.
Bekering van eiseres
Bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de bekering van eiseres heeft verweerder Werkinstructie 2022/3 (WI 2022/3) als uitgangspunt genomen. Verweerder beoordeelt volgens die WI of het aannemelijk is dat de door de vreemdeling gestelde bekering gebaseerd is op een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Bij de beoordeling of de gestelde bekering geloofwaardig is, richt verweerder zich op drie thema’s, te weten: de motieven voor en het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof, en de activiteiten, zoals bezoeken aan religieuze bijeenkomsten. Het zwaartepunt ligt in de meeste gevallen bij de verklaringen van de vreemdeling over het thema ‘de motieven voor en het proces van bekering’, aldus WI 2022/3.
Verweerder heeft zich in het kader de geloofwaardigheidsbeoordeling van de bekering van eiseres op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiseres over haar bekering geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, in de zin van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Daartoe heeft verweerder aan eiseres in belangrijke mate tegengeworpen dat zij te algemeen en onpersoonlijk heeft verklaard over haar motieven voor en proces van bekering. Meer concreet heeft eiseres volgens verweerder te algemeen en onpersoonlijk verklaard over hoe zij tot het christelijk geloof kwam, waarom zij zich door de liefde van haar christelijke geloofsgenoten in Iran aangetrokken voelde tot het christelijke geloof, welke karaktereigenschappen zij heeft ontwikkeld met betrekking tot haar geloof en over de vergeving van haar vader als onderdeel van de bekering.
Naar het oordeel van de rechtbank berust voormelde tegenwerping van verweerder dat eiseres te algemeen en onpersoonlijk heeft verklaard over haar motieven voor en proces van bekering niet op een deugdelijke motivering. Verweerder heeft in dit kader in zijn besluitvorming een aantal onderwerpen (zie 9.2) genoemd die tijdens het nader gehoor aan de orde zijn gekomen en gesteld dat eiseres daarover te algemeen en onpersoonlijk heeft verklaard. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank echter ten aanzien van de meeste van die onderwerpen onvoldoende deugdelijk en concreet gemotiveerd waarom hij vindt dat de verklaringen van eiseres daarover te algemeen en onpersoonlijk zijn. Dit legt de rechtbank hierna uit.
Ten aanzien van het onderwerp ‘hoe eiseres tot het christelijk geloof kwam’, volstaat verweerder in zijn besluitvorming met de toelichting dat eiseres op de vragen hierover heeft geantwoord dat ‘het een bijzondere dag was en dat zij haar medicatie niet meer hoefde te nemen’ en dat eiseres hiermee nalaat inzicht te geven in haar proces van bekering. Deze toelichting acht de rechtbank te summier en beperkt. Verweerder noemt slechts twee voorbeelden van verklaringen die volgens hem ontoereikend zijn, maar eiseres heeft hierover veel meer verklaard, zowel in haar vrije relaas als in antwoord op vragen. Zo heeft eiseres – samengevat – verklaard dat zij afvallig was en in een depressieve periode raakte, dat zij toen een oud-klasgenoot tegenkwam die haar in aanraking bracht met het christendom en de huiskerk, en dat zij zich door het geloof in het christendom weer genezen voelde van haar depressie en daarom geen medicijnen meer hoefde in te nemen. Verweerder heeft de verklaringen van eiseres over het onderwerp ‘hoe eiseres tot het christelijk geloof kwam’ niet (kenbaar) in zijn geheel bezien en dan ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom dit geheel aan verklaringen over dit onderwerp te summier en onpersoonlijk zou zijn.
Ten aanzien van het onderwerp ‘aantrekking tot de liefde van christelijke geloofsgenoten’ heeft verweerder in zijn besluitvorming volstaan met de toelichting dat eiseres op de vragen hierover heeft geantwoord dat ‘alleen zulke liefde gegeven kan worden als je vervuld bent van de Heilige Geest’. Hoewel deze verklaring op zichzelf bezien algemeen te noemen is, geldt ook op dit punt dat eiseres hierover meer heeft verklaard dan verweerder heeft genoemd; namelijk dat de liefdevolle ontvangst en opstelling van haar geloofsgenoten heel bijzonder voor haar was, omdat zij dit nog nooit had meegemaakt en dat zij voor het eerst in haar leven het gevoel had dat zij werd gezien en dat mensen om haar gaven. Ook hier geldt dat verweerder niet het geheel aan verklaringen over dit onderwerp (kenbaar) heeft beoordeeld en daardoor niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom die verklaringen te algemeen en onpersoonlijk zouden zijn.
Ten aanzien van het onderwerp ‘vergeving van vader’ heeft verweerder slechts gesteld dát eiseres daarover te algemeen en onpersoonlijk heeft verklaard en daarom geen inzicht hierin heeft gegeven. Verweerder heeft echter niet aan de hand van concrete verklaringen van eiseres uitgelegd waarom hij die verklaringen ontoereikend vindt. Dit, terwijl de vergeving van haar vader bij uitstek een persoonlijk onderwerp voor eiseres is en zij dit onderwerp, in reactie op de (moeilijke) vraag ‘Hoe heeft God jouw zonde verlost’, uit zichzelf verbindt aan haar bekering tot het christendom. In de zienswijze heeft eiseres nog uitgelegd dat zij het gemis van haar vader door de vergeving een plekje heeft kunnen geven; hiermee heeft zij dit onderwerp verder persoonlijk en concreet gemaakt. Door niet concreet op deze verklaringen in te gaan heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom deze verklaringen te algemeen en onpersoonlijk zouden zijn.
De rechtbank overweegt verder dat eiseres tijdens het nader gehoor nog wel meer verklaringen heeft gegeven met betrekking tot haar bekering tot het christendom die op zijn minst gezegd enig authentiek en persoonlijk karakter hebben. Bij wijze van voorbeeld wijst de rechtbank op de verklaring van eiseres op p. 29 van het gehoorverslag. Gevraagd naar waar haar laatste Bijbelstudie over ging, verklaart eiseres over een Bijbeltekst waarvan zij de betekenis spontaan koppelt aan haar eigen situatie waarin zij verkeerde voordat zij tot het christelijk geloof kwam. De gehoormedewerker bedankt eiseres vervolgens uitdrukkelijk voor het mooie voorbeeld. Deze verklaring van eiseres heeft verweerder niet bij zijn besluitvorming betrokken, terwijl daartoe naar het oordeel van de rechtbank gezien het voorgaande wel aanleiding bestond.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres over haar motieven voor en proces van bekering te algemeen en onpersoonlijk, en daarmee onvoldoende overtuigend, zijn. Nu bij dit thema het zwaartepunt ligt en verweerder de overige thema’s (kennis en activiteiten) positief voor eiseres heeft beoordeeld, berust het standpunt van verweerder dat de verklaringen van eiseres over haar bekering geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw, niet op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering. Het standpunt van verweerder dat het niet aannemelijk is dat eiseres [naam 2] heeft verteld over haar bekering, leidt niet tot een ander oordeel. Dit standpunt raakt namelijk niet aan de bekering zelf en ook niet aan één van de drie thema’s uit WI 2022/3, zodat dit standpunt, ook als dit juist zou zijn, niet de conclusie kan dragen dat de verklaringen van eiseres over haar bekering geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Nu verweerder in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling slechts heeft tegengeworpen dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw leidt hetgeen hiervoor is overwogen tot de slotsom dat verweerder zich in het op eiseres betrekking hebbende bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid op het standpunt heeft gesteld dat de bekering van eiseres tot het christendom ongeloofwaardig is. Ook in zoverre vertoont dit bestreden besluit dus gebreken.
Geloofwaardige afvalligheid van eisers
Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eisers afvallig zijn van de islam. Verweerder acht het echter niet aannemelijk dat eisers door hun afvalligheid bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade. De rechtbank zal bij haar toetsing van dit standpunt van verweerder onderscheid maken tussen de situatie op het vliegveld in Iran en de situatie na terugkeer ín Iran.
Situatie op het vliegveld in Iran
Hoewel de bestreden besluiten anders suggereren, heeft verweerder ter zitting (desgevraagd) toegelicht dat hij aannemelijk acht dat eisers bij terugkeer op het vliegveld in Iran zullen worden ondervraagd door de Iraanse autoriteiten over hun verblijf in het buitenland. De rechtbank zal hiervan in het vervolg van deze uitspraak uitgaan. De vraag die hier vervolgens moet worden beantwoord is of verweerder zich in de bestreden besluiten deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eisers naar aanleiding van die ondervraging problemen zullen krijgen met de Iraanse autoriteiten vanwege hun afvalligheid van de islam.
Verweerder acht het niet aannemelijk dat eisers problemen zullen krijgen. Hiertoe heeft hij in de bestreden besluiten gesteld dat eisers vallen in ‘groep 2’ van het Informatiebericht 2023/35 (IB 2023/25). Daarbij staat als uitleg: “Vreemdelingen van wie geloofwaardig wordt geacht dat zij afvallig zijn, maar die hun afvalligheid niet actief uiten/uitdragen en aan wie afvalligheid niet wordt toegedicht of bij wie bepaalde uitingen van de afvalligheid (die ervoor zouden zorgen dat zij in de negatieve aandacht zouden komen te staan) niet van belang zijn voor het behoud van hun religieuze identiteit. Het kan dan bijvoorbeeld zo zijn dat zij de islam niet meer praktiseren en religieuze voorschriften niet meer naleven.” Gelet hierop heeft verweerder in het op eiser betrekking hebbende bestreden besluit, in lijn met IB 2023/35 (p. 5), gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij bij een ondervraging door de autoriteiten op het vliegveld niet zal verklaren afvallig te zijn, eventueel door het ondertekenen van een verklaring dat hij nog moslim is.
In de zaak van eiser (NL25.18141)
Daargelaten of van Iraanse vreemdelingen van wie de afvalligheid geloofwaardig is geacht überhaupt mag worden verwacht dat zij bij terugkeer op het vliegveld in Iran zwijgen of liegen over hun afvalligheid, geldt dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser valt in ‘groep 2’ (en niet in ‘groep 1’). Verweerder heeft hiertoe gesteld dat eiser in Iran geen uiting gaf aan zijn afvalligheid, dat hij in Nederland slechts beperkt uiting geeft aan zijn afvalligheid (hij praat hierover enkel met moslims in het azc) en dat eiser niet heeft kunnen verklaren waarom het voor het behoud van zijn religieuze identiteit van belang is om zijn afvalligheid in de toekomst wel publiekelijk te uiten. Hiermee heeft verweerder echter niet onderkend dat eiser niet alleen afvallig is maar ook een politieke overtuiging heeft, die inhoudt dat hij zich afkeert van het streng islamitische regime in Iran en aanhanger is van het koninklijk systeem, en dat zijn afvalligheid en politieke overtuiging zodanig verweven zijn dat die niet los van elkaar kunnen worden gezien maar als één geheel moeten worden beschouwd. Eiser geeft in Nederland juist veel uiting aan zijn gecombineerde afvallige en politieke overtuiging. Dit doet hij onder andere door frequent deel te nemen aan demonstraties tegen het Iraanse regime en door berichten te plaatsen op zijn Instagram-pagina waarin hij zijn afkeer uitspreekt over zowel de islam als het streng islamitische Iraanse regime. Doordat verweerder de verwevenheid tussen eisers afvalligheid en politieke overtuiging niet heeft onderkend, heeft verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser nauwelijks actieve uiting geeft aan zijn (met politieke overtuiging verweven) afvalligheid en ook dat die uitingen voor eiser niet van belang zijn voor het behoud van zijn religieuze identiteit. Nu hierdoor ondeugdelijk is gemotiveerd waarom eiser valt in ‘groep 2’ en eiser bovendien tijdens het nader gehoor uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij onder geen beding op het vliegveld in Iran een verklaring zal ondertekenen dat hij moslim is (p. 13 NG), heeft verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat van eiser kan worden verwacht dat hij bij ondervraging door de autoriteiten op het vliegveld in Iran zal zwijgen of liegen over zijn afvalligheid. In het verlengde hiervan ligt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat eiser naar aanleiding van de ondervraging op het vliegveld problemen zal krijgen met de Iraanse autoriteiten vanwege zijn afvalligheid.
Verweerder heeft verder ten onrechte niet beoordeeld of het aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten als onderdeel van de ondervraging op het vliegveld een telefoon/social media-controle zullen verrichten en daarbij zullen ontdekken dat eiser op zijn Instagram-pagina een behoorlijk aantal berichten heeft geplaatst waarin hij zijn afkeer uitspreekt over (onder andere) de islam. De rechtbank wijst in dit verband op p. 115 van het Algemeen ambtsbericht Iran van 2023, waar is vermeld dat tijdens ondervragingen laptops en mobiele telefoons worden gecontroleerd en mensen worden verplicht hun wachtwoorden te geven. Ook om deze reden heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat eiser naar aanleiding van de ondervraging op het vliegveld problemen zal krijgen met de Iraanse autoriteiten vanwege zijn afvalligheid.
In de zaak van eiseres (NL25.18143)
De rechtbank overweegt dat verweerder in het op eiseres betrekking hebbende bestreden besluit niet uitdrukkelijk is ingegaan op de situatie op het vliegveld in Iran en wat er van eiseres in dat opzicht mag worden verwacht. Wel heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat eiseres in ‘groep 2’ van het IB 2023/35 valt. Voor zover verweerder stelt dat hieruit moet worden begrepen dat van eiseres mag worden verwacht dat zij bij een ondervraging door de autoriteiten op het vliegveld niet zal verklaren afvallig te zijn en dat zij daarom geen problemen te duchten heeft van de Iraanse autoriteiten op het vliegveld, overweegt de rechtbank dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiseres in ‘groep 2’ valt (en niet in ‘groep 1’). Eiseres uit haar afvalligheid in Nederland in het openbaar door middel van haar uiterlijke verschijningsvorm; zij draagt geen hijab of andere bedekkende kleding en wel westerse kleding. Daarnaast gaat zij naar de christelijke kerk, hetgeen minst genomen een openbare uiting van haar afvalligheid is. Verweerder heeft deze openbare uitingen door eiseres van haar afvalligheid niet kenbaar bij zijn beoordeling in het kader van IB 2023/25 betrokken. Verweerder heeft wel in meer algemene zin gesteld dat de uitingen van eiseres van haar afvalligheid niet van belang zijn voor haar religieuze identiteit, maar hij motiveert dit verder niet (deugdelijk). Verweerder licht namelijk in het bestreden besluit niet concreet toe waarom de hiervoor genoemde uitingen van eiseres van haar afvalligheid niet van belang zijn voor haar religieuze identiteit.
Nu niet deugdelijk is gemotiveerd dat eiseres valt in ‘groep 2’, heeft verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat gesteld dat van eiseres kan worden verwacht dat zij bij ondervraging door de autoriteiten op het vliegveld in Iran zal zwijgen of liegen over haar afvalligheid en, in het verlengde daarvan, dat het niet aannemelijk is dat eiseres naar aanleiding van de ondervraging op het vliegveld problemen zal krijgen met de Iraanse autoriteiten vanwege haar afvalligheid.
Situatie na terugkeer ín Iran
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat eisers na terugkeer in Iran problemen zullen krijgen vanwege hun afvalligheid.
Ten aanzien van eiser heeft verweerder in dit verband gesteld dat eiser in Iran geen uiting heeft gegeven aan zijn afvalligheid en dat hij zijn afvalligheid in Nederland slechts beperkt en niet heel openlijk uit. Hieruit volgt volgens verweerder dat het voor eiser niet belangrijk is om zijn afvalligheid na terugkeer in Iran in het openbaar en in risicovolle omstandigheden te uiten. Van eiser mag dan ook worden verwacht dat hij dit na terugkeer in Iran niet zal doen, zoals hij dat in het verleden in Iran ook niet heeft gedaan.
Ten aanzien van eiseres heeft verweerder in dit verband gesteld dat niet is gebleken dat het voor eiseres belangrijk is om haar uitingen van afvalligheid in Iran onder risicovolle omstandigheden te doen.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraken van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, en 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5349, volgt dat verweerder bij een geloofwaardig geachte afvalligheid moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid. Terughoudendheid mag van de vreemdeling niet worden verlangd. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder voormelde uitspraak van 24 december 2024, r.o. 3.2, dat als een vreemdeling niet uitdrukkelijk verklaart over de manier van uiting van zijn of haar afvalligheid bij terugkeer, verweerder ervan uit moet gaan dat die vreemdeling na terugkeer op dezelfde wijze uiting aan de afvalligheid wil geven als hij of zij in Nederland heeft gedaan.
Uit het voorgaande volgt dat bij de beantwoording van de vraag op welke wijze een vreemdeling zijn geloofwaardig geachte afvalligheid na terugkeer in zijn land van herkomst wil uiten, een aanzienlijk gewicht toekomt aan de wijze waarop die vreemdeling in Nederland uiting geeft aan zijn afvalligheid. Dit betekent dat verweerder moet onderzoeken en bij zijn beoordeling kenbaar en deugdelijk moet betrekken hoe de vreemdeling in Nederland uiting geeft aan zijn geloofwaardig geachte afvalligheid. Dit heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in zowel de zaak van eiser als die van eiseres onvoldoende gedaan. Dit legt de rechtbank hierna uit.
In de zaak van eiser (NL25.18141)
Verweerder heeft in het bestreden besluit niet onderkend dat eiser in Iran al uiting, zij het clandestien, gaf aan zijn afvalligheid door pamfletten over de leugens van de islam af te drukken en te verspreiden. Verder geldt, zoals onder 10.4, al is overwogen, dat verweerder ook niet heeft onderkend dat er een zodanige verwevenheid bestaat tussen eisers afvalligheid en politieke overtuiging dat die als één geheel moeten worden bezien en dat eiser aan zijn gecombineerde afvallige en politieke overtuiging in Nederland juist veel uiting geeft door middel van deelnames aan protesten en het plaatsen van berichten op Instagram over zijn deelnames aan die protesten en over zijn afkeer van de islam en het regime. Nu eiser dus zowel in Iran als in Nederland uiting heeft gegeven aan zijn afvalligheid, heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat het voor eiser(s religieuze identiteit) niet belangrijk is om uiting te geven aan zijn afvalligheid. Gelet hierop, nu de wijze waarop een vreemdeling in Nederland uiting geeft aan zijn afvalligheid een belangrijke aanwijzing is voor hoe de vreemdeling na terugkeer naar Iran uiting wil geven aan zijn afvalligheid en eiser tijdens het nader gehoor uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij in Iran ‘niet stil zal blijven zitten’ en dat hij ‘met volle macht zijn activiteiten via verschillende media zal voortzetten’ en ‘een tafel op een plein zou willen neerzetten om mensen op de hoogte te brengen’ (p. 19 NG), heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd het standpunt ingenomen dat het niet aannemelijk is dat eiser zijn afvalligheid in Iran daadwerkelijk wil uiten op (op zijn minst) een wijze die te vergelijken is met hoe hij dat in Nederland doet. De rechtbank wijst er verder nog op dat als er sprake is van een aannemelijke daadwerkelijke wil van de vreemdeling om zijn afvalligheid in Iran te uiten – het ontbreken van die wil bij eiser is door verweerder dus ondeugdelijk gemotiveerd – verweerder niet van die vreemdeling mag verwachten dat hij zijn afvalligheid in Iran toch niet uit, omdat er geen terughoudendheid van de vreemdeling mag worden verlangd.
Verweerder heeft verder nog gesteld, onder verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht Iran 2023, p. 83 e.v., dat er sprake is van een seculariseringstendens in Iran en dat aanklachten voor afvalligheid in Iran zelden voorkomen. Voor zover verweerder hiermee stelt dat eiser door het uiten van zijn afvalligheid in Iran geen gegronde vrees heeft voor vervolging, volgt de rechtbank dit niet, omdat dit niet deugdelijk is gemotiveerd. Uit het ambtsbericht volgt dat afvalligheid als zodanig niet strafbaar is gesteld, maar wel onder andere strafbepalingen kan worden geschaard en ook wordt vervolgd. Verder geldt dat er onder de Iraanse bevolking inderdaad sprake is van een seculariseringstendens, maar dit leidt juist tot meer repressie en steviger optreden van de Iraanse autoriteiten tegen secularisatie. Het risico dat eiser loopt van de zijde van de Iraanse autoriteiten zal afhankelijk zijn van de wijze waarop hij zijn afvalligheid in Iran zal uiten en, zoals hiervoor is overwogen, ontbeert het bestreden besluit op dit punt een deugdelijke motivering.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser na terugkeer in Iran geen problemen zal krijgen met de Iraanse autoriteiten vanwege zijn afvalligheid.
In de zaak van eiseres (NL25.18143)
Eiseres is tijdens het nader gehoor niet bevraagd over hoe zij haar afvalligheid na terugkeer in Iran zou willen uiten en heeft daarover dan ook niets verklaard. Dit betekent dat verweerder ervan uit moet gaan dat eiseres na terugkeer op dezelfde wijze uiting aan haar afvalligheid wil geven als zij in Nederland doet (zie 10.10). Eiseres geeft in Nederland uiting aan haar afvalligheid door middel van haar uiterlijke verschijningsvorm (geen hijab en andere bedekkende kleding) en door niet naar de moskee te gaan maar naar de christelijke kerk. Verweerder heeft ten onrechte niet beoordeeld wat de gevolgen zijn als eiseres op deze wijze uiting aan haar afvalligheid zal geven in Iran. Dat deze wijze van uiten niet van belang is voor (de religieuze identiteit van) eiseres en dat daarom van eiseres mag worden verwacht dat zij zich in Iran niet zo uit, heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd (zie ook overweging 10.6.) en dit volgt de rechtbank dan ook niet.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder ook ondeugdelijk gemotiveerd dat eiseres na terugkeer in Iran geen problemen zal krijgen met de Iraanse autoriteiten vanwege haar afvalligheid.
Slotsom afvalligheid
Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zich in beide zaken onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat eisers bij terugkeer naar Iran, zowel op het vliegveld als ín Iran, een gegronde vrees hebben voor vervolging vanwege hun geloofwaardige afvalligheid. De bestreden besluiten vertonen op dit punt diverse zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken.
Geloofwaardige politieke overtuiging en activiteiten van eiser
Verweerder heeft de politieke overtuiging van eiser, die inhoudt dat hij tegen het streng islamitische Iraanse regime is en voor het koninklijk systeem, geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser politieke activiteiten heeft verricht in zowel Iran als Nederland. In Iran heeft eiser deelgenomen aan anti-regime demonstraties, posters gedrukt en verspreid, leuzen gespoten en bijeenkomsten georganiseerd met medestrijders, waar gediscussieerd werd over de politieke situatie en gesproken werd over bijvoorbeeld welke slogans geroepen moesten worden tijdens de komende demonstraties. Hij is daarvoor ook één keer opgepakt door de Iraanse autoriteiten. In Nederland neemt eiser ook deel aan demonstaties tegen het Iraanse regime. Voorafgaand aan die demonstratie verspreidt hij, samen met gelijkgestemden, via social media vooraankondigingen van die demonstraties. Tijdens de demonstraties heeft eiser diverse organisatorische taken (onder andere beveiliger). Op zijn Instagram-pagina plaatst hij foto’s en filmpjes van deze demonstraties, waarop hij zelf te zien is met bijvoorbeeld een microfoon in zijn hand en vlaggen van de oude Sjah en Israël. Ook plaatst hij op zijn Instagram-pagina diverse andere berichten waarmee hij zijn afkeer over het Iraanse regime tot uitdrukking brengt.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser door voormelde geloofwaardig geachte politieke overtuiging en activiteiten bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees heeft voor vervolging. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat eiser geen sterke politieke overtuiging heeft en dat het niet aannemelijk is dat hij in de negatieve belangstelling staat of komt te staan van de Iraanse autoriteiten bij terugkeer.
De rechtbank overweegt dat de beoordeling of aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat of zal komen te staan, uiteenvalt in twee stappen. De eerste stap van de beoordeling is of het aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten kennis hebben of zullen krijgen van de politieke overtuiging en activiteiten van eiser. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is de tweede stap van de beoordeling of het aannemelijk is dat die kennis zal leiden tot negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten voor eiser. De rechtbank zal, met inachtneming van deze twee stappen, beoordelen of verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat of zal komen te staan vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten. Daarbij zal de rechtbank eerst ingaan op de actuele situatie en daarna ingaan op de situatie bij/na terugkeer van eiser naar Iran.
Staat eiser op dit moment in de negatieve belangstelling?
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Iraanse autoriteiten op dit moment op de hoogte zijn van zijn politieke overtuiging en activiteiten, laat staan negatieve aandacht voor hem hebben. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat het Instagram-account van eiser niet veel volgers heeft en dat eisers bereik dus beperkt is, en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een specifieke bekendheid heeft waardoor hij bij de Iraanse autoriteiten wel opgevallen moet zijn. Eiser heeft volgens verweerder geen concrete aanwijzingen aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat de Iraanse autoriteiten daadwerkelijk kennis hebben van zijn politieke activiteiten in Nederland.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers politieke overtuiging en activiteiten. Het gaat hierbij dan met name om eisers Instagram-pagina, die op eisers eigen naam staat en dus direct aan hem te linken is. Verweerder heeft bij de beoordeling van het bereik van eisers Instagram-pagina slechts acht geslagen op het aantal volgers en niet (ook) op het aantal ‘views’. Het aantal volgers bedraagt ongeveer 1.400, maar het aantal ‘views’ is vele malen hoger. Er staan berichten/foto’s op eisers Instagram-pagina die wel meer dan tienduizenden ‘views’ hebben, met uitschieters naar 50.000 en 146.000 ‘views’. Dit betekent dat het bereik van eiseres Instagram-pagina een stuk groter is dan waar verweerder van uit is gegaan. Nu verweerder is uitgegaan van een te beperkt bereik, heeft hij ondeugdelijk gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers Instagram-pagina. Immers, hoe groter het bereik, hoe groter de kans dat de Iraanse autoriteiten daarvan kennis hebben. Bovendien geldt dat verweerder bij deze beoordeling niet kenbaar heeft betrokken dat uit het ambtsbericht, p. 40, en de daarbij aangehaalde onderliggende bronnen (zie noot 282), volgt dat de Iraanse autoriteiten politiek-kritische Iraniërs in het buitenland monitoren, onder andere door het in de gaten houden van social media en via personen die buiten Iran met hen samenwerken.
Gelet op het voorgaande en nu verweerder niet heeft betwist dat de inhoud van de berichten op eisers Instagram-pagina de Iraanse autoriteiten onwelgevallig zullen zijn, heeft verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser op dit moment in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten.
Zal eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling komen te staan?
Hierna toetst de rechtbank – volledigheidshalve en er veronderstellenderwijs van uitgaand dat eiser thans niet in de negatieve aandacht staat – het standpunt van verweerder dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Iran alsnog in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten terecht zal komen. Daarbij zal eerst worden ingegaan op de situatie op het vliegveld in Iran en vervolgens op de situatie na terugkeer ín Iran.
Over de situatie bij terugkeer op het vliegveld in Iran overweegt de rechtbank als volgt. Onder 10.5. is reeds geoordeeld dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of het aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten als onderdeel van de ondervraging op het vliegveld een telefoon/social media-controle bij eiser zullen verrichten. Daarbij is verwezen p. 115 van het Algemeen ambtsbericht Iran van 2023. Nu dit niet is beoordeeld, heeft verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten op het vliegveld op de hoogte zullen raken van eisers politieke overtuiging en activiteiten.
Over de situatie na terugkeer van eiser in Iran overweegt de rechtbank als volgt. Verweerders standpunt komt erop neer dat eiser geen sterke politieke overtuiging heeft en dat het daarom niet aannemelijk is dat hij in Iran zijn politieke overtuiging zal uiten door politieke activiteiten te verrichten. Dit standpunt berust niet op een deugdelijke motivering. Eiser heeft niet alleen in Nederland, maar ook al in Iran deelgenomen aan diverse demonstraties tegen het Iraanse regime en is daarbij zelfs één keer gearresteerd. Reeds nu eiser al jarenlang (sinds 2017) zowel in Iran als in Nederland frequent deelneemt aan anti-regime demonstraties en in dat kader ook steeds enige organisatorische rol heeft vervuld, kan verweerder niet worden gevolgd in zijn standpunten dat eiser geen sterke politieke overtuiging heeft en dat het niet aannemelijk is dat eiser zijn politieke overtuiging in Iran daadwerkelijk wil uiten op (tenminste) dezelfde wijze als hij eerder in Iran heeft gedaan en nu in Nederland doet. De rechtbank wijst er (ook in dit verband) op dat als er bij een vreemdeling sprake is van aannemelijke daadwerkelijke wil om zijn geloofwaardige politieke overtuiging in Iran te uiten – het ontbreken van die wil bij eiser is door verweerder dus ondeugdelijk gemotiveerd – verweerder niet van die vreemdeling mag verwachten dat hij zijn politieke overtuiging in Iran toch niet uit, omdat er geen terughoudendheid van de vreemdeling mag worden verlangd. In het verlengde van het voorgaande ligt dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten na terugkeer van eiser ín Iran op de hoogte zullen komen van eisers politieke overtuiging en activiteiten.
Gelet op het voorgaande, op hetgeen onder 11.4.3 is overwogen over de inhoud van eisers berichten op Instagram en nu verweerder niet heeft betwist dat het deelnemen door eiser aan anti-regime demonstraties de Iraanse autoriteiten onwelgevallig zal zijn, heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd het standpunt ingenomen dat het niet aannemelijk is dat eiser na terugkeer in Iran in de negatieve belangstelling zal komen te staan van de Iraanse autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten.
Slotsom politieke overtuiging en activiteiten
Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zich in eisers zaak onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn geloofwaardige politieke overtuiging en activiteiten. Het op eiser betrekking hebbende bestreden besluit vertoont op dit punt diverse gebreken.
Conclusie en gevolgen
12. De beroepen zijn gezien al het voorgaande gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
13. De rechtbank ziet geen mogelijkheid de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten, omdat verweerder de vele geconstateerde gebreken in de beroepsfase niet heeft hersteld. Ook zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is en (vooralsnog) blijft om een geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten en het risico op vervolging en/of ernstige schade te beoordelen. Evenmin bestaat er aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op het grote aantal gebreken en de aard daarvan, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, binnen tien weken nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers. Daarbij dient verweerder ook rekening te houden met de actuele situatie in Iran.
14. Omdat de beroepen gegrond zijn, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift in de zaak van eiser, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift in de zaak van eiseres en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beide zaken, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.