RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15858
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
(gemachtigde: mr. M.P. Gaal-de Groot).
Procesverloop
Bij besluit van 20 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is met behulp van een beeldverbinding verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Voortraject
1. Eiser voert aan dat het niet duidelijk is of sprake is van een strafrechtelijk dan wel vreemdelingrechtelijk voortraject. Daarbij licht eiser toe dat uit de processen-verbaal niet duidelijk blijkt op welke grond eiser is staande gehouden. In het ene proces-verbaal staat dat eiser is aangehouden op grond van artikel 197 van het wetboek van Strafrecht (ongewenst vreemdeling), terwijl uit een ander proces-verbaal lijkt te volgen dat eiser is staande gehouden omdat hij geen identiteitsbewijs bij zich had.
De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal met nummer [proces-verbaal nummer 1] staat dat eiser op 20 maart 2026 is aangehouden op grond van artikel 197 van het wetboek van Strafrecht. In het proces-verbaal met nummer [proces-verbaal nummer 2] staat dat de verbalisanten op 20 maart 2026 een melding kregen om naar het centraal station Arnhem te gaan in verband met een reiziger zonder geldig vervoer- en identiteitsbewijs. Eiser werd om 09:15 uur aangehouden ‘voor de Wet ID’. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat hiermee bedoeld wordt dat eiser is aangehouden op grond van artikel 447e van het wetboek van Strafrecht (niet voldoen aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage te bieden). Verder staat in het proces-verbaal dat na controle/onderzoek in de BVID-zuil bleek dat eiser ongewenst vreemdeling is.
De rechtbank oordeelt dat uit de processen-verbaal voldoende blijkt dat eiser is aangehouden in een strafrechtelijk kader. De rechtbank kan niet oordelen of dit terecht is geweest. De rechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject ligt namelijk niet bij de bewaringsrechter ter beoordeling voor. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
De maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring stelt de minister zich op het standpunt dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Tijdens de zitting heeft eiser verduidelijkt dat de kern van zijn betoog er op neerkomt dat hij niet wist dat hij een terugkeerverplichting had naar Algerije, het land waar hij naartoe moet. Eiser wijst er daarbij op dat de minister op 15 januari 2026 een terugkeerbesluit heeft genomen naar aanleiding van eisers asielaanvraag. Eiser heeft zijn aanvraag echter vrij snel na het indienen daarvan weer ingetrokken en is daarop uit het aanmeldcentrum vertrokken. De minister kon om die reden ook niet een terugkeerbesluit opleggen, nu de minister zich er niet van heeft vergewist dat eiser zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt, zoals volgt uit artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn.
De beroepsgrond slaagt niet. De zware grond 3a is feitelijk juist omdat eiser geen geldig reisdocument bezit. Dat eiser - zoals hij stelt - als (minderjarige) asielzoeker naar Nederland is gekomen doet hier niet aan af. Om de zware grond 3a aan de maatregel ten grondslag te leggen is het namelijk voldoende dat deze feitelijk juist is. Dit geldt ook voor de overige zware gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. De zware gronden 3b en 3d zijn feitelijk juist omdat eiser op de opvanglocatie in Ter Apel verbleef maar met onbekende bestemming is vertrokken en verschillende aliassen heeft opgegeven. Ook de zware grond 3c is feitelijk juist. Eisers asielaanvraag is buiten behandeling gesteld op 15 januari 2026. Dit besluit bevatte ook een terugkeerbesluit, maar eiser heeft hier geen gevolg aan gegeven omdat hij de Europese Unie niet heeft verlaten. Dat eiser stelt dat hij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en de opvang daarna heeft verlaten, doet hier niet aan af. Van een expliciete intrekking van de asielaanvraag is ook niet gebleken, zodat de minister gehouden was daarop te beslissen. Daarbij is tevens een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Dit besluit is vervolgens ter inzage gelegd op de daarvoor bestemde plek op het aanmeldcentrum. Daarmee is het besluit op de correcte wijze bekend gemaakt. Verder zijn de lichte gronden 4c en 4d feitelijk juist omdat eiser niet staat ingeschreven in het Brp en verklaart geen geld te hebben. De minister heeft daarbij het onttrekkingsrisico voldoende toegelicht, en mocht deze lichte gronden daarom ook ten grondslag leggen aan de maatregel. De gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 4c en 4d kunnen samen de maatregel dragen. Daaruit volgt dat in eisers geval sprake is van een onttrekkingsrisico.
Voor zover eiser betoogt dat het terugkeerbesluit in strijd met artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn is opgelegd, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank mag zich niet uitlaten over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, maar moet wel controleren of het besluit voldoet aan de specifieke eisen die daaraan worden gesteld. Artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn schrijft voor wanneer de lidstaten een terugkeerbesluit uitvaardigen. Dat ziet niet op een specifiek vereiste om een besluit aan te kunnen merken als een terugkeerbesluit. De rechtbank laat deze beroepsgrond van eiser daarom onbesproken. De rechtbank stelt wel vast dat het terugkeerbesluit aan de daarvoor gestelde eisen voldoet en dat de maatregel daarop kon worden gebaseerd.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat de minister niet zorgvuldig en kenbaar heeft onderzocht of met een lichter middel dan de maatregel van bewaring kan worden volstaan.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser stelt, motiveert de minister voldoende (kenbaar) waarom in eisers geval niet met een lichter middel kan worden volstaan. Uit de zware en lichte gronden volgt een onttrekkingsrisico. De minister betrekt ook eisers verklaring dat hij een zwangere vrouw in Zwitserland heeft bij de afweging. De minister wijst er terecht op dat eiser zijn verklaring niet kan onderbouwen. Eiser weet enkel de voornaam en woonplaats van de vrouw maar weet verder niets over haar te vertellen. Ook kan eiser geen telefonisch contact met haar opnemen en verklaart hij wisselend op de vraag of hij haar telefoonnummer heeft. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.