RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18290
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich beiden laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2005 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Eisers asielaanvraag is op 16 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland daarvoor verantwoordeljk is. Eiser zal worden overgedragen aan Duitsland.
2. Hiermee bestond ten tijde van het opleggen van de maatregel een concreet aanknopingspunt t voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening Verweerder heeft de maatregel dan ook terecht gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Verder heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn. Eiser beschikt niet over een geldig reisdocument waarmee hij Nederland is ingereisd. Daarnaast heeft eiser zich aan het toezicht onttrokken doordat hij op 11 december 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Deze twee zware gronden zijn samen voldoende om aan te nemen dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring zelfstandig dragen. De overige zware en lichte gronden hoeven daarom niet te worden besproken.
4. Eiser voert verder aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank stelt echter vast dat er is geen sprake van uitzetting naar eisers land van herkomst. Verder volgt uit de aanbiedingsbrief van verweerder van 7 april 2026 volgt dat de overdracht van eiser aan Duitsland zal plaatsvinden op 10 april 2026. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. De beroepsgrond van eiser dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan bewaring omdat eiser na zijn overdracht weer spoedig zal terugkeren naar Nederland slaagt evenmin. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan zijn overdracht. Eiser is vijf keer eerder uitgezet naar Duitsland en steeds weer teruggekeerd. Ook heeft eiser verklaard in Nederland te willen blijven. Verweerder heeft hieruit de conclusie mogen trekken dat een lichter middel niet geschikt is om een tijdige overdracht van eiser aan Duitsland te realiseren.
6. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaringonrechtmatig is. Daarbij wijst de rechtbank er op dat het strafrechtelijk voortraject niet door de bewaringsrechter wordt beoordeeld. Eiser is aangehouden op grond van artikel 447E van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 van de Wet op de Identificatieplicht en daarna overgenomen door de vreemdelingenpolitie. Eisers opmerking dat (bij de staandehouding) geen sprake is (geweest) van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf heeft daarom geen betekenis voor de beoordeling van de maatregel.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.