RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59916
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de vraag of verzoeker arbeid mag verrichten in afwachting van het besluit op het door hem ingediende bezwaarschrift. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. Mede aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft in 2023 een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) aangevraagd en verkregen. Op 10 april 2025 is een verlengingsaanvraag ingediend voor de GVVA. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 december 2025 afgewezen.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verzoeker arbeid mag verrichten tijdens de bezwaarfase.
De minister heeft op 23 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de (mede)eigenaars van het restaurant waar verzoeker werkt, een medewerker van het UWV en de gemachtigde van de minister. Ook is een tolk verschenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Gelet op genoemd artikel, zal de voorzieningenrechter eerst nagaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Daarna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot een toewijzing van het verzoek is gekomen.
Is er sprake van spoedeisend belang?
4. Verzoeker stelt dat er sprake is van spoedeisend belang. Hij is de enige kok die kan worden ingezet op het wok-station. Zoals op zitting is toegelicht heeft een van de eigenaars van het restaurant, de heer Wang sr., het werk van verzoeker tijdelijk overgenomen, maar gezien de leeftijd van de heer Wang sr. en zijn lichamelijke gesteldheid is dat bezwaarlijk langer vol te houden. Gelet op de aankomende feestdagen, die leiden tot drukte in het restaurant, is verzoeker nu extra hard nodig in het restaurant. Ook kunnen de werkgevers het salaris van verzoeker niet onbeperkt doorbetalen zonder dat het restaurant daadwerkelijk kan profiteren van zijn inzet. Om deze reden dreigt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft voor verzoeker tot gevolg dat, zelfs wanneer de GVVA alsnog wordt toegekend, sprake zal zijn van een verblijfsgat, zodat verzoeker pas op een later moment in aanmerking komt voor een vergunning ‘arbeid vrij’, zoals volgt uit artikel 4 of 5 Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Omdat de bezwaarprocedure waarschijnlijk nog maanden duurt, is er dringend belang bij de voorziening. Zowel verzoeker als de eigenaars van het restaurant lijden ernstige schade wanneer verzoeker niet mag werken.
De minister stelt zich op het standpunt dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van spoedeisend belang. Verzoeker ontvangt zijn salaris. Bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan hij waarschijnlijk aanspraak maken op een WW-uitkering. Echter, niet is gebleken dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst aanstaande is. Van een WW-aanvraag en een mogelijk gat in het verblijfsrecht is dan ook geen sprake. Dat de werkzaamheden van verzoeker doorslaggevend zijn voor het reilen en zeilen van het restaurant is volgens de minister niet gebleken nu dit niet met stukken is onderbouwd.
De rechtbank overweegt als volgt. De belangen van de werkgevers zijn gekoppeld aan de belangen van verzoeker. Dit volgt uit de stukken en is ook op zitting toegelicht door de heer Wang jr. Deze koppeling is op zitting niet betwist door de minister. Verzoeker en zijn werkgevers wensen nakoming van de tussen hen overeengekomen arbeidsovereenkomst. Dat is nu niet mogelijk, omdat verzoeker niet mag werken. Dat hierdoor ontbinding van de arbeidsovereenkomst dreigt, zoals ook op zitting is toegelicht, acht de voorzieningenrechter niet onaannemelijk. Dat verzoeker bij een dergelijke ontbinding aanspraak kan maken op een WW-uitkering acht de minister aannemelijk, maar dit staat niet vast. Daarbij heeft de werkgever op zitting gesteld dat de werkwijze waarbij de heer Wang sr. de werkzaamheden voor verzoeker waarneemt niet veel langer vol te houden is. Nu de bezwaarfase al geruime tijd duurt acht de voorzieningenrechter dit niet onaannemelijk. Evenals de stelling dat verwacht zal worden dat met de komende feestdagen het naar alle waarschijnlijkheid extra druk zal zijn bij het restaurant. Gezien het voorgaande en het feit dat de bezwaarprocedure al geruime tijd voortduurt meent de voorzieningenrechter dat voldoende is uitgelegd dat de ontstane situatie voor verzoeker en zijn werkgever niet veel langer op deze manier is vol te houden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er dan ook sprake van spoedeisend belang.
Is er een redelijke kans van slagen?
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in deze bezwaarprocedure vragen aan de orde zijn, die zich minder goed lenen voor beantwoording in de onderhavige procedure. Om die reden wordt de vraag of, vooruitlopend op de beoordeling in bezwaar een voorziening moet worden getroffen, beantwoord aan de hand van een belangenafweging.
Valt de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit?
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in artikel 2 van de Wav staat dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of zonder dat een vreemdeling in het bezit is van een GVVA bij die werkgever. Een uitzondering hierop staat in artikel 6.4, onder sub a, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (BuWav). Daarin is opgenomen dat dit verbod niet geldt voor een vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de gecombineerde vergunning voor dezelfde werkzaamheden bij dezelfde werkgever. Een dergelijke uitzondering bestaat niet voor de bezwaarfase. Daarmee is het dus in beginsel verboden voor een werkgever om zijn kok te laten werken tijdens de bezwaarfase, wat de kans van slagen van het bezwaar ook is.
Het belang van verzoeker en zijn werkgevers is erin gelegen dat verzoeker weer (legaal) arbeid kan verrichten en daarmee kan voldoen aan het door hem aangegane arbeidscontract. Daarbij is van belang dat verzoeker al enkele jaren in Nederland verblijft en ook al even lang werkzaam is voor zijn huidige werkgevers. Verzoeker vormt, zoals ook op zitting is toegelicht, daardoor een wezenlijk onderdeel van de bezetting van het restaurant. Verzoekers werk kan niet worden gemist en wordt op dit moment vervult door de heer Wang sr. Door werkgevers is aangegeven dat dit niet veel langer is vol te houden. Werkgevers zouden in het geval verzoeker weer mag werken niet langer genoodzaakt zijn om de heer Wang sr. - voor zijn leeftijd - te zwaar werk te laten verrichten om de noodzakelijke werkzaamheden in het restaurant toch doorgang te laten vinden. De hiervoor onder 4.2 benoemde (dreigende) nadelen zouden eveneens worden beëindigd dan wel voorkomen.
Tegenover deze belangen van verzoeker staan de belangen van de minister. Het uitgangspunt is daarbij dat het instellen van bezwaar in een GVVA-procedure geen schorsende werking heeft voor wat betreft de afwijzing van de tewerkstellingsvergunning en het belang van de minister daarbij dat de wet wordt gevolgd. Het is volgens de minister niet de bedoeling dat een situatie ontstaat waarbij illegale tewerkstelling legaal wordt gemaakt door middel van het treffen van een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt de belangenafweging in dit geval in het voordeel van verzoeker en zijn werkgevers uit. De voorzieningenrechter kan de minister volgen in zijn belang dat de regels worden nageleefd, maar voor de voorzieningenrechter weegt in dit geval zwaarder dat verzoeker, na een eerder positief UWV-advies, al enkele jaren legaal arbeid heeft verricht voor zijn werkgevers en dat afwijzing van het verzoek in dit geval directe (financiële) gevolgen heeft voor verzoeker en zijn werkgevers. Daar komt bij, zoals door de minister ook op de zitting is erkend, dat eerst na de komst van verzoeker naar Nederland duidelijk is geworden dat het beleid, voor zover dat ziet op het gebruik van specifieke functie eisen voor Aziatische koks, zou komen te vervallen. Daarmee is erkend dat het voor verzoeker en zijn werkgevers niet mogelijk was om voorafgaand aan zijn overkomst naar Nederland hierop te anticiperen in het kader van een eventuele vervolgaanvraag. De voorzieningenrechter acht het niet onaannemelijk dat verzoeker door zijn werk in de afgelopen jaren een wezenlijk onderdeel is geworden van de bezetting van het restaurant. Daarmee is aannemelijk dat verzoeker niet zonder meer en voor langere periode kan worden vervangen. Het is daarom niet onaannemelijk dat het (financiële) nadeel door het niet inzetten van verzoeker in het restaurant dusdanig groot is dat verzoeker en zijn werkgevers in problemen komen te verkeren als zij de bezwaarprocedure moeten afwachten voordat verzoeker weer mag werken. Zeker nu op zitting door de minister is toegelicht dat pas in mei een hoorzitting gepland is en niet valt uit te sluiten dat het nog enkele maanden zal duren voordat er een besluit op bezwaarschrift van verzoeker wordt genomen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat in dit geval aan de belangen van verzoeker doorslaggevend belang toekomt. De voorzieningenrechter weegt daarbij ook mee dat de minister, door het nemen van een spoedige beslissing op bezwaar, zelf in de hand heeft hoelang de periode dat verzoeker op deze manier mag werken zal voortduren. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker totdat op zijn bezwaar is beslist, moet worden behandeld alsof hij in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Dit betekent dat de minister verzoeker aldus dient te behandelen dat hij mag werken bij zijn werkgever totdat op het bezwaar is beslist.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.