RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17329
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 26 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1998 en de Soedanese nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder terecht vastgesteld dat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Er is sprake van een claimakkoord met Frankrijk van 11 december 2025. Verweerder heeft de maatregel dan ook terecht gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Verder heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd. De gronden onderbouwen dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht en kunnen de maatregel dragen.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op overdracht van eiser binnen een redelijke termijn. Eiser is al meerdere malen uitgezet en dat heeft er niet toe geleid dat eiser definitief niet is teruggekeerd naar Nederland. Recent is de aangekondigde overdracht van eiser door de Franse autoriteiten niet geaccordeerd. Uit de maatregel van bewaring blijkt bovendien dat eiser mogelijk aan Duitsland wordt overgedragen.
5. Anders dan eiser stelt, is er een claimakkoord met Frankrijk. De eerder geplande overdracht van eiser naar Frankrijk op 8 april 2026 heeft geen doorgang gevonden omdat verweer niet had voldaan aan de eis van de Franse autoriteiten om tien werkdagen voor de overdracht eisers persoonsgegevens door te geven. Op 2 april 2026 is aangekondigd dat de overdracht van eiser aan Frankrijk op 16 april 2026 zal plaatsvinden. Gelet hierop is er voldoende zicht op overdracht aan Frankrijk. Voor zover de tekst van de maatregel van bewaring een passage bevat waarin wordt gesteld dat dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, is gelet ook op de overige tekst van de maatregel sprake is van een kennelijke verschrijving.
6. Verweerder heeft verder voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het significante risico op onttrekking te ondervangen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.