RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , ook wel bekend als [naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1331
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Verweerder heeft op 6 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 16 januari 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1996 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 29 oktober 2025.
4. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Zijn nationaliteit is op 22 november 2025 bevestigd. Hij heeft daarna aangegeven dat hij gepresenteerd wil worden, echter is hij niet op de hoogte gesteld dat de inbewaringstelling dan veel langer zou duren. In het vertrekgesprek is hem verteld dat een presentatie van belang is voor het verkrijgen van een lp. Een lp kan ook worden verkregen zonder een presentatie. Dit was eiser niet duidelijk. De inbewaringstelling duurt hiermee langer dan noodzakelijk. Eiser is op 7 januari 2026 pas gepresenteerd, wat maakt dat er bijna zeven weken gelegen waren tussen de nationaliteitsbevestiging en de presentatiedatum. Verder is onduidelijk wat de uitkomst hiervan is en of er inmiddels een vlucht is geboekt. Eiser wenst, gelet op het voorgaande, een mondelinge behandeling van zijn beroep op zitting.
5. Als een beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond is verklaard, kan de rechtbank in een vervolgberoep tegen het voortduren van de maatregel zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier acht de rechtbank zich in dit geval voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen. De rechtbank ziet daarom geen reden voor een mondelinge behandeling van het vervolgberoep.
6. Uit het vertrekgesprek van 26 november 2025 blijkt dat eiser zelf heeft aangegeven gebruik te willen maken van de gelegenheid om gepresenteerd te worden bij de Algerijnse ambassade. Verweerder is vervolgens afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten voor het plannen van een presentatiedatum. In de tussentijd heeft verweerder wel nog andere handelingen verricht, zoals het voeren van een vertrekgesprek. Dat het langere tijd heeft geduurd voordat eiser werd gepresenteerd, maakt dan ook niet dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit het verweerschrift blijkt dat de dag na de presentatie, nadat eisers nationaliteit nogmaals is bevestigd en toezegging is gedaan dat een reisdocument wordt afgegeven, direct een vlucht is aangevraagd. Op 9 januari 2026 is een vluchtakkoord ontvangen. Eiser wordt op 27 januari 2026 uitgezet naar Algerije. Gelet op het voorgaande wordt eiser niet gevolgd in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn uitzetting.
7. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 januari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.