[naam], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: L. Ploeger).
Inleiding
1. De minister heeft op 25 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is op het detentiecentrum Rotterdam verschenen. De waarnemer van de gemachtigde van eiser, mr. M. Rasul, is op de rechtbank in Groningen verschenen. Daar is ook een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 5 januari 2026 is Portugal akkoord gegaan met het door Nederland ingediende claimverzoek. Op 28 januari 2026 is aan eiser een overdrachtsbesluit opgelegd.
Gronden
5. Anders dan eiser veronderstelt, zijn de in de maatregel genoemde zware gronden terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Eiser beschikt immers niet over een identiteitsdocument en verklaart in het gehoor Nederland zonder documenten te zijn ingereisd (3a). Dat hij jong was en vervolgens asiel heeft aangevraagd, doet aan de feitelijke juistheid niet af. Eiser is daarnaast op 12 februari 2026 met onbekende bestemming vertrokken (3b), wat door hem wordt bevestigd in het gehoor. Anders dan eiser stelt, heeft hij zich niet direct gemeld bij het AZC, maar pas op 17 februari 2026. Dat hij niet de intentie zou hebben gehad zich aan het toezicht te onttrekken, is daarbij niet relevant. Ook feitelijk juist is dat eiser verschillende aliassen heeft gehanteerd (3e). Eiser voert aan dat hij alleen in Duitsland onjuiste gegevens heeft verstrekt. Door de minister is op de zitting terecht aangevoerd dat dit niet kan worden nagegaan nu eiser geen identiteitsdocument heeft overgelegd. Vast staat in ieder geval dat eiser verschillende namen, geboortedata en geboorteplaatsen heeft gehanteerd. Ook zware grond 3k is terecht aan eiser tegengeworpen. Aan eiser is een overdrachtsbesluit opgelegd, hij is niet verschenen bij verschillende gehoren en vertrekgesprekken en verklaart in het gehoor bovendien meermaals niet terug te willen naar Portugal. De rechtbank volgt eiser daarom niet in de stelling dat hij niet terug wil, maar mee zal werken wanneer het moet. Daarnaast verklaart eiser pas mee te zullen werken sinds hij in bewaring zit. Dit is onvoldoende voor het oordeel dat deze grond niet kan worden tegengeworpen. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser de lichte gronden niet heeft betwist. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank er vanuit dat deze terecht aan eiser zijn tegengeworpen en het risico op onttrekking daarbij is gemotiveerd.
Lichter middel
6. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De enkele stelling dat eiser zich aan de regels houdt en wil meewerken, is onvoldoende voor een ander oordeel. Een lichter middel volstaat niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
Eiser heeft verklaard te voelen dat hij iets mankeert, maar niet te weten wat. Hij gebruikt geen medicatie maar wel drugs, waaronder lyrica en diazepam. Dit koopt hij zelf.
Door de minister is eiser erop gewezen dat alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De rechtbank stelt daarnaast vast dat eiser geen persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Zo is op 26 en 30 maart 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd, is op 27 maart 2026 de overdracht aangekondigd, is op 30 maart 2026 een lp voor eiser afgegeven en is de vlucht met vertrek op 8 april 2026 aangekondigd.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.