ECLI:NL:RBDHA:2026:8540

ECLI:NL:RBDHA:2026:8540

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-03-2026
Datum publicatie 10-04-2026
Zaaknummer NL26.10020
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Dublin Duitsland. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1977. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De minister heeft desgevraagd op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Hairan als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

Voornemen

5. Eiseres voert aan dat de minister in het voornemen onvoldoende dan wel niet is ingegaan op het huwelijk tussen eiseres en haar echtgenoot. Door dit na te laten is de besluitvorming onzorgvuldig tot stand gekomen.

6. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. De rechtbank volgt eiseres in haar stelling dat de minister in het voornemen niet expliciet is ingegaan op de verklaringen die eiseres heeft afgelegd met betrekking tot de aanwezigheid van haar echtgenoot in Nederland. Er is een summiere overweging opgenomen over eventuele familie in Nederland, namelijk dat dit op zichzelf niet genoeg voor een heel bijzondere situatie. Echter is het voornemen een voorbereidingshandeling en dient als aankondiging van wat de minister van plan is te gaan beslissen, namelijk het niet in behandeling nemen van eiseres haar asielaanvraag en de voorgenomen overdracht aan de Duitsland. Vervolgens is eiseres in de gelegenheid gesteld om in een zienswijze hierop te reageren. Hier heeft zij geen gebruik van gemaakt. In het besluit is de minister ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag hebben geleid. Verder is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiseres over de aanwezigheid van de echtgenoot in Nederland. Omdat eiseres geen originele stukken had overgelegd van een bestaande gezinsband, is eiseres in staat gesteld alsnog stukken te overleggen. Eiseres heeft in beroep nog nadere stukken overgelegd en de minister heeft in beroep het huwelijk alsnog erkend. Voren vermelde situatie betekent niet dat het besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Vaststelling verantwoordelijke lidstaat (claimverzoek)

7. Eiseres stelt dat het claimverzoek van 13 november 2025 onrechtmatig is. Hiertoe voert eiseres aan dat onder het kopje “Burgerlijke staat” niets is ingevuld. Hier had de minister moeten vermelden dat eiseres een echtgenoot heeft en dat hij tot de Nederlandse asielprocedure is toegelaten. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 11 oktober 2023 volgt dat – in eiseres haar situatie – Duitsland op de hoogte moet worden vastgesteld van alle relevante feiten. En de omstandigheid dat de echtgenoot van eiseres in de Nederlandse asielprocedure is opgenomen, is relevant omdat zij samen Nederland zijn binnengekomen, meteen bekend hebben gemaakt dat zij gehuwd zijn en hiervan stukken hebben overlegd. Hierbij verwijst eiseres ook naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 1 november 2024.

8. De rechtbank oordeelt als volgt. De omstandigheid dat de asielaanvraag van eiseres haar echtgenoot inhoudelijk wordt behandeld in de nationale asielprocedure in Nederland, leidt niet tot een ander oordeel dan in het bestreden besluit is neergelegd. In deze situatie is sprake van een terugnameverzoek, zodat eiseres in beginsel geen beroep kan doen op de verantwoordelijkheidscriteria in hoofdstuk III van de Dvo. Dat hoofdstuk heeft betrekking op overnameprocedures en niet op een terugnameverzoek. Dit is ook in de Afdelingsuitspraak van 1 mei 2024 bevestigd. Om die reden was de minister ook niet gehouden de echtgenoot in het claimverzoek aan Duitsland te vermelden. Dit kan anders zijn als er sprake is van een situatie die valt onder artikel 20, vijfde lid, van de Dvo. Daar is echter geen sprake van omdat eiseres drie procedures in Duitsland heeft doorlopen en heeft afgerond. Dat eiseres en haar echtgenoot samen een asielaanvraag in Nederland hebben gedaan, verandert niets aan vorenstaande. Eiseres heeft al drie asielaanvragen in Duitsland ingediend, welke niet hebben geleid tot een verblijfsvergunning. Gezien het vorenstaande staat de verantwoordelijkheid van Duitsland vast en is de vermelding van de echtgenoot niet relevant voor het terugnameverzoek aan de Duitse autoriteiten. Bovendien ziet de door eiseres aangehaalde uitspraak van 11 oktober 2023 niet op een vergelijkbare situatie. In die uitspraak is het claimverzoek weliswaar geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid en onder c, van de Dvo, maar de rechtbank heeft die situatie vergelijkbaar geacht met die in artikel 20, vijfde lid, van de Dvo, omdat de vreemdeling binnen de termijn van drie maanden uit de ene lidstaat was vertrokken en in Nederland een asielverzoek had ingediend. Ook in die situatie heeft de rechtbank aangenomen dat de procedure tot het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat nog niet was afgerond zodat sprake is van een uitzonderingssituatie zoals beschreven in het arrest van 2 april 2019 in de zaak H en R . Zo een soort situatie doet zich hier niet voor, omdat eiseres haar verzoek in Duitsland (meermaals) inhoudelijk is afgewezen. Ook het beroep van eiseres op de uitspraak van 1 november 2024 slaagt niet. Die uitspraak ziet op een overnamesituatie terwijl het in deze zaak gaat om een terugnamesituatie, dus ook hier is geen sprake van een vergelijkbare situatie. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening

9. Eiseres stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken en verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 10 december 2024. Hiertoe voert eiseres aan dat haar echtgenoot is opgenomen in de asielprocedure in Nederland. Zij hebben samen hun asielaanvraag in Nederland ingediend en beiden in hun gehoren verklaard dat zij graag bij elkaar willen blijven. Zij verblijven momenteel ook samen in een kamer op het COA. De echtgenoot van eiseres is ziek en eiseres zorgt voor hem en wil dit graag blijven doen. Gelet op de eenheid van het gezin, had de minister de asielaanvraag van eiseres aan zich moeten trekken zodat zij en haar echtgenoot niet van elkaar worden gescheiden.

10. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.

11. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland onevenredig hard is. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding zag om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo. Hierbij is ook van belang dat eiseres niet door middel van een zienswijze heeft aangevoerd op grond van welke bijzondere omstandigheden de minister haar asielaanvraag aan zich had moeten trekken. Eiseres haar beroep op de uitspraak van 10 december 2024 slaagt dan ook niet. Verder heeft eiseres geen medische stukken overlegd van haar zieke man waaruit volgt dat hij de zorg van eiseres nodig heeft en niet zonder kan. De aanwezigheid van de echtgenoot in Nederland vormt geen bijzondere omstandigheid waarin de minister aanleiding had moeten zien om de aanvraag aan zich te trekken. Ook de omstandigheid dat eiseres in Nederland gelijktijdig met haar echtgenoot een asielaanvraag heeft ingediend is niet relevant nu zij al veel eerder in Duitsland een aanvraag heeft ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

20 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B. Fijnheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?