RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.12479 en NL26.13339
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).
Procesverloop
Bij besluit van 5 maart 2026 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. De minister heeft op 10 maart 2026 deze maatregel van bewaring opgeheven.
Bij besluit van 10 maart 2026 (bestreden besluit 2) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgelegd.
Eiseres heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1968.
Bestreden besluit 1
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Onrechtmatigheid van de staandehouding
3. Eiseres is op 5 maart 2026 aangehouden op grond van overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht wegens het niet in bezit zijn van een geldig identiteitsbewijs. De woning waarin eiseres zich destijds bevond, werd binnengetreden door de politie voor een aanhouding en doorzoeking. De persoon waar de politie naar op zoek was, is ook in de woning aangehouden. Eiseres stelt dat er geen aanleiding was om haar vervolgens naar een identiteitsbewijs te vragen. Na de aanhouding van de gezochte persoon bestond volgens eiseres geen reden meer voor verder strafrechtelijk onderzoek. Ook bestond er geen zelfstandig vreemdelingrechtelijk redelijk vermoeden van illegaal verblijf op grond waarvan eiseres naar een identiteitsbewijs mocht worden gevraagd.
4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie onder andere de uitspraken van 26 juli 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AD6144) en van 17 juni 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE6646)) is het niet aan de bestuursrechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet toegekende bevoegdheden. Slechts indien de onrechtmatigheid van de aanwending van zodanige bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling.
5. De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 5 maart 2026 volgt dat eiseres zich op 5 maart 2026 bevond in een woning waar de politie is binnengevallen voor een aanhouding en doorzoeking. De verbalisant, daar aanwezig als hulpofficier van justitie, trof na het binnentreden (naar later bleek) eiseres aan en vroeg naar haar identiteit. Zij gaf aan te zijn [naam 1] , althans [naam 2] . Omdat zij niet kon voldoen aan de identificatieplicht werd zij door verbalisant in de woning aangehouden op grond van het niet bezitten van een geldig identiteitsbewijs. De rechtbank is op grond van de inhoud van het proces-verbaal van aanhouding verdachte, waarvan de inhoud door eiseres niet is bestreden, dan ook van oordeel dat hier geen sprake is van de aanwending van vreemdelingrechtelijke bevoegdheden. Gelet op de hierboven genoemde vaste jurisprudentie van de Afdeling slaagt de beroepsgrond niet.
Bewaringsgronden
6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toets
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Bestreden besluit 2
Bewaringsgronden
9. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiseres:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
10. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Belangenafweging
11. Eiseres stelt dat in de belangenafweging onvoldoende aandacht is besteed aan haar redenen om asiel aan te vragen in Nederland. Het is voor haar niet veilig om terug te keren naar Marokko vanwege haar geaardheid. Eiseres voert ook aan dat het nu al voorzienbaar is dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Bovendien heeft zij familie in Nederland. Eiseres stelt dat deze belangen onvoldoende zijn meegewogen, waardoor zij onterecht in bewaring is gesteld.
12. De rechtbank is van oordeel dat dit geen aanleiding geeft om de maatregel onrechtmatig te achten. Uit de niet bestreden gronden die de minister aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, blijkt dat sprake is van onttrekkingsgevaar. Hetgeen eiseres aanvoert in het kader van de belangenafweging is door de minister voldoende in maatregel meegewogen. De asielmotieven van eiseres worden beoordeeld in de asielprocedure en eiseres heeft niet nader geconcretiseerd waarom en hoe hiermee rekening zou moeten zijn gehouden bij de oplegging van de maatregel. Evenmin is nader geconcretiseerd waarom het hebben van familie in Nederland een rol zou hebben moeten spelen bij het besluit tot oplegging van de maatregel. Daarbij is ook door de minister overwogen dat eiseres al ruim drie jaar illegaal in Nederland verblijft en dus ruim en voldoende de gelegenheid had om een asielaanvraag in te dienen en de uitkomst hiervan in vrijheid af te wachten. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
13. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
14. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 maart 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.