ECLI:NL:RBDHA:2026:8545

ECLI:NL:RBDHA:2026:8545

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 10-04-2026
Zaaknummer NL26.18281
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Eerste beroep bewaring – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.18281

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),

en

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft Poolse nationaliteit. Bij besluit van 14 oktober 2022, aan eiser uitgereikt op 23 november 2025, heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht en is eiser opgedragen Nederland binnen een maand te verlaten. Eiser heeft niet aangetoond dat hij Nederland heeft verlaten. Verweerder heeft de maatregel van bewaring dan ook terecht gebaseerd artikel 59, eerste lid, van de Vw.

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:

- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; - 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; - 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. De rechtbank stelt vast dat de zware en lichte gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende toegelicht. Verweerder heeft ter toelichting op de lichte grond 4d gewezen op eisers verklaring dat hij in totaal over €135 zou beschikken. Voor zover eiser daarbij stelt dat hij €100 van een vriend heeft gekregen en dat hij van die vriend ook verdere (financiële) hulp kan krijgen, betekent dat niet dat de lichte grond 4d niet juist is. Eiser heeft zijn bewering in het geheel niet onderbouwd.

5. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder voldoende voortvarend aan de verwijdering van eiser. Eiser is op 31 maart 2026 in bewaring gesteld. Uit het dossier blijkt dat op 2 april een T&O-aanvraag is ingediend bij de Poolse autoriteiten. De daaropvolgende dag hebben de Poolse autoriteiten de identiteit en nationaliteit van eiser bevestigd en daarbij de terugname geaccordeerd. Op 3 april 2026 is een vlucht aangevraagd. Ter zitting is door verweerder toegelicht dat inmiddels een vluchtakkoord is ontvangen voor 14 april 2026. Verder heeft verweerder op 2 en 3 april 2026 vertrekgesprekken met eiser gevoerd en is op 1 april 2026 het OM geïnformeerd over de uitzetting van eiser. Voor zover eiser stelt dat een vlucht op een eerder tijdstip mogelijk was geweest, aangezien er dagelijks vluchten vertrekken naar Polen, leidt dat de rechtbank niet tot het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De geplande vluchtdatum van 14 april is niet onredelijk laat, gelet ook op de omstandigheid dat eiser zal worden geëscorteerd. Niet is gebleken van concrete aanwijzingen dat niettemin een eerdere vluchtdatum mogelijk is (geweest).

6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F.I. Sinack

Griffier

  • mr. J. de Winter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?