RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11617
(gemachtigde: mr. D. Gürses),
en
(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser bevestigd dat – anders dan in het beroepschrift is vermeld – het beroep enkel is gericht tegen de maatregel van bewaring van 27 februari 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure zal ontwijken of belemmeren. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de gronden van de maatregel grotendeels standaard zijn en dat de individuele omstandigheden van eiser onvoldoende zijn beoordeeld.
4. De rechtbank stelt vast dat de feitelijke juistheid van de gronden van de maatregel van bewaring niet is betwist. De rechtbank is van oordeel de gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er sprake is van een risico op onttrekking en kunnen de maatregel van bewaring dragen. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de minister niet op redelijke gronden heeft mogen aannemen dat de asielaanvraag van eiser louter is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Eiser bevond zich sinds 5 september 2025 in bewaring, en heeft pas op 26 februari 2026 een aanvraag om internationale bescherming ingediend, één dag voor een geplande uitzetting naar Marokko. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging/lichter middel
5. Eiser voert aan dat oplegging van de maatregel onevenredige gevolgen voor zijn gezondheid heeft; de minister heeft niet kenbaar gemotiveerd dat zijn gezondheidssituatie niet nader onderzocht hoefde te worden alvorens hem in bewaring te stellen. Eiser is dan ook van mening dat zijn gezondheidssituatie er in de belangenafweging voor had moeten zorgen dat de minister had moeten volstaan met de oplegging van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Verder voert eiser aan dat hij bezig is met het verzamelen van stukken voor zijn asielaanvraag en dat hij hier moeite mee heeft vanuit bewaring.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Hierbij wijst de rechtbank er onder meer op dat eiser tot aan de oplegging van de maatregel geen gehoor heeft gegeven aan het in 2023 opgelegde terugkeerbesluit. Verder heeft eiser in zijn gehoor vóór inbewaringstelling (M110) verklaart dat hij gezond is, geen medicatie gebruikt en geen behoefte heeft aan een psycholoog voor zijn piekeren en vreemde dromen. Op grond van deze verklaringen heeft de minister mogen aannemen dat de gezondheidstoestand van eiser geen beletsel was voor oplegging van de maatregel. De gestelde omstandigheid dat hij bezig is met het verzamelen van documenten voor zijn asielaanvraag, maakt evenmin dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 maart 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.