ECLI:NL:RBDHA:2026:8547

ECLI:NL:RBDHA:2026:8547

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-03-2026
Datum publicatie 10-04-2026
Zaaknummer NL26.11918 NL26.12030
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Beroepen tegen maatregel van bewaring en terugkeerbesluit – beroepen ongegrond – bewaringsgronden – lichter middel – arrest Aroja – vertrektermijn tkb.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.11918 en NL26.12030

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),

en

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2026 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. De minister heeft op 2 maart 2026 aan eiser ook een terugkeerbesluit op grond van artikel 62 van de Vw uitgevaardigd (bestreden besluit 2).

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft de beroepen op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.M. Karsten, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972.

Bestreden besluit 1

Bewaringsgronden

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser alle gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Eiser stelt ten aanzien van grond 3b dat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken. Hij heeft de afgelopen jaren in de LVV verbleven en was daarmee in beeld bij zowel de Nederlandse autoriteiten als DTenV. De minister heeft het verblijf van eiser in de LVV per 31 december 2024 beëindigd waardoor niet aan eiser kan worden verweten dat hij bij de minister uit beeld is geraakt. Eiser heeft zich daarna desgevraagd éénmaal gemeld bij de vreemdelingenpolitie na hiervoor een oproep te hebben ontvangen en hij is bij de autoriteiten in beeld gebleven door middel van zijn postadres bij de gemeente [plaats] . Ten aanzien van de grond 3d stelt eiser dat hij in de LVV een begeleidingstraject heeft gehad van DTenV. Stukken hiervan ontbreken in het dossier. Het feit dat eiser geen identiteitsdocumenten heeft, betekent niet zonder meer dat hij niet meewerkt.

4. De rechtbank oordeelt dat de minister de gronden onder 3b en 3d aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling verklaard dat hij 37 jaar geleden de Europese Unie is ingereisd, dat zijn paspoort 25 jaar kwijt is en dat hij al lang in Nederland verblijft. Nadat zijn verblijf in de LVV op 31 december 2024 werd beëindigd, heeft hij tot zijn inbewaringstelling geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland. Hiermee heeft eiser zich dus geruime tijd aan het toezicht onttrokken. De door eiser gestelde omstandigheid dat hij in de LVV heeft verbleven en daar een begeleidingstraject heeft gehad van DTenV, dat hij zich na te zijn opgeroepen éénmaal heeft gemeld bij de vreemdelingenpolitie en de stelling van eiser dat hij over een postadres bij de gemeente [plaats] beschikt, leiden niet tot een ander oordeel. Verder bezit eiser geen identiteitsbewijs en heeft hij volgens zijn verklaring in de 25 jaar sinds het gestelde kwijtraken van zijn paspoort geen aantoonbare activiteiten ondernomen om aan vervangende documenten te komen. Voor zover eiser contact heeft met een casemanager, heeft dit tot op heden nog niet geleid tot vertrek.

5. De gronden 3b en 3d zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de maatregel te kunnen dragen, omdat hieruit voldoende blijkt van een risico op onttrekking aan het toezicht. De rechtbank laat de overige door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

6. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Hiertoe voert eiser aan dat hij een jongvolwassen zoon heeft met wie hij – vóór de inbewaringstelling – regelmatig contact had. Ook heeft eiser een (ex-)partner bij wie hij een tijd heeft verbleven. Eiser heeft zijn leven op orde en is de laatste jaren dan ook niet meer in aanraking gekomen met de politie. Verder heeft hij zijn diploma als chef-kok gehaald en werkt hij als kok in een opvang voor vrouwen uit Oekraïne. In het verleden heeft eiser zich slechts één keer moeten melden bij de vreemdelingenpolitie, wat eiser ook heeft gedaan. Nergens blijkt dan ook uit dat eiser niet bereid is om samen met DTenV te onderzoeken of hij naar Algerije kan vertrekken. Gelet op het vorenstaande had de minister kunnen volstaan met het opleggen van bijvoorbeeld een meldplicht. Eiser heeft vrienden waarbij hij kan verblijven en is bereid deze adressen aan de minister door te geven.

7. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met de oplegging van een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel van bewaring en de motivering daarvan blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Verder is van belang dat de zoon van eiser meerderjarig is, bij zijn moeder woont en dat eiser zijn zoon nooit heeft erkend. Uit de verklaringen van eiser tijdens het gehoor voorafgaande aan de oplegging van de maatregel is niet gebleken van een afhankelijkheidsrelatie. Door eiser is ook niet nader geconcretiseerd waarom het hebben van een zoon in Nederland onder die omstandigheden een rol zou hebben moeten spelen bij het besluit tot oplegging van de maatregel. Voor zover eiser stelt bij vrienden te kunnen verblijven stelt de rechtbank vast dat eiser de adresgegevens van deze vrienden niet met de minister heeft gedeeld. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de minister niet heeft hoeven volstaan met de oplegging van een lichter middel. De omstandigheid dat eiser Nederlands spreekt, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

Arrest Aroja

8. Eiser voert aan dat een vreemdeling maximaal 18 maanden in vreemdelingenbewaring mag zitten en wijst hierbij op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026 (Aroja). Eiser is van mening dat die 18 maanden in zijn geval zijn overschreden gelet op zijn eerdere inbewaringstellingen en zijn huidige inbewaringstelling. De minister heeft nagelaten om stukken over eerdere bewaringen aan het dossier toe te voegen.

9. De minister heeft ter zitting verklaard dat eiser éénmaal eerder in bewaring heeft gezeten, en wel van 18 juni 2022 tot 30 juni 2022 op grond van artikel 59a van de Vw.

10. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Aroja volgt dat de maximale bewaringsduur ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen, dat alle afzonderlijke perioden van bewaring ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld moeten worden ook als deze zijn onderbroken door perioden van vrijheid en dat ook perioden van bewaring tijdens de behandeling van een asielaanvraag moeten worden meegerekend.

11. De rechtbank overweegt dat eiser met bestreden besluit 1 in bewaring is gesteld ter uitvoering van het op 2 maart 2026 uitgevaardigde terugkeerbesluit. Dit betekent dat de termijn van 18 maanden vreemdelingenbewaring ter uitvoering van dat terugkeerbesluit op 2 maart 2026, de datum van oplegging van deze maatregel, is gaan lopen. Eventuele eerdere inbewaringstellingen worden hierbij niet meegenomen omdat deze niet ter uitvoering van het terugkeerbesluit van 2 maart 2026 zijn geweest. Gesteld noch gebleken is dat ten aanzien van eiser eerder een terugkeerbesluit is genomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

12. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

Bestreden besluit 2

Vertrektermijn

13. Eiser meent dat hem ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd. Er is bij het opleggen van het terugkeerbesluit niet kenbaar rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling en het terugkeerbesluit verklaart eiser dat hij al meer dan 37 jaar in Nederland is en dat hij een zoon met de Nederlandse nationaliteit van 19 jaar oud heeft. Zijn zoon gaat nog naar school en is daarom nog afhankelijk van zijn ouders. Ook heeft eiser verklaard dat hij vrijwilligerswerk doet. Eiser stelt op geen enkele wijze een gevaar voor de openbare orde te zijn en heeft dan ook geen recente antecedenten. De minister heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met het familie- en gezinsleven van eiser. Gelet op het vorenstaande getuigt het volgens eiser van onevenredige hardheid dat aan eiser geen termijn voor vrijwillig vertrek is verleend en dat hij direct na het uitreiken van bestreden besluit 2 in bewaring is gesteld. Door deze gang van zaken heeft eiser geen afscheid kunnen nemen van zijn zoon.

14. De rechtbank overweegt als volgt. Het terugkeerbesluit is een vaststelling van het onrechtmatige verblijf van eiser. Gelet op artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn zijn de lidstaten na de vaststelling dat een derdelander zoals eiser onrechtmatig in een lidstaat verblijft in beginsel gehouden tot het nemen van een terugkeerbesluit. Hieruit volgt dat de minister bevoegd was om aan eiser een terugkeerbesluit op te leggen. Voor zover het beroep is gericht tegen het onthouden van een vertrektermijn, stelt de rechtbank vast dat de minister heeft kunnen concluderen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. Eiser heeft verklaard dat hij zijn zoon nooit heeft erkend en dat hij nooit voor hem heeft gezorgd. Inmiddels is zijn zoon meerderjarig en is niet gebleken van een afhankelijkheidsrelatie. Door eiser is ook niet nader geconcretiseerd waarom het hebben van zoon in Nederland onder die omstandigheden een rol zou hebben moeten spelen bij het opleggen van het terugkeerbesluit of het onthouden van een vertrektermijn. Tot slot verwijst de rechtbank naar de in deze uitspraak genoemde overwegingen 3 tot en met 5 met betrekking tot het onttrekkingsrisico. In het gestelde familie- en/of privéleven van eiser heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank evenmin aanleiding hoeven te zien om een vertrektermijn aan eiser te gunnen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een rechtmatig terugkeerbesluit en dat de minister op goede gronden heeft mogen afzien van het gunnen van een termijn voor vrijwillig vertrek. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

15. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

23 maart 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P. Bruins

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?