RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17963
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 3 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Libische nationaliteit te hebben. Tegen eiser is op 4 februari 2019 een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Dat terugkeerbesluit is gehandhaafd bij besluit van verweerder van 5 april 2019. Het beroep daartegen is ongegrond verklaard bij uitspraak van de rechtbank van 13 mei 2019. Bij besluit van 15 januari 2026 is aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit uitgevaardigd, gericht op eisers terugkeer naar Algerije, dan wel Marokko. Eiser heeft tot op heden geen gevolg gegeven aan zijn terugkeerverplichting. Hiermee staat vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Verweerder heeft de maatregel dan ook terecht gebaseerd op artikel 59 van de Vw.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; - 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; - 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; - 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
4. De rechtbank volgt eiser niet in diens standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de terugkeer van eiser. Verweerder heeft in een brief aan de rechtbank van 7 april 2026 en ter zitting toegelicht dat hij de autoriteiten van verschillende landen heeft benaderd voor de afgifte van een lp. Op het moment van het opleggen van de maatregel waren lp-aanvragen aanhangig bij de Libische en Algerijnse autoriteiten. Sinds het sluiten van het onderzoek door de rechtbank, op 26 februari jl., in het beroep tegen de eerder aan eiser opgelegde maatregel van bewaring heeft verweerder hierover gerappelleerd, op 12 maart jl. en 3 april jl., bij de Algerijnse autoriteiten. De lopende lp-aanvraag voor Libië is op 9 maart jl. stopgezet. Op 4 maart jl. is een lp-aanvraag voor Marokko gestart. De aanvraag hiervoor is op 11 maart jl. ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Verweerder heeft op 3 april gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Verder is geprobeerd een vertrekgesprek te voeren met eiser op 4 maart 2026. Dit kon geen doorgang vinden vanwege de uitvoering van een aan eiser opgelegde disciplinaire straf. Op 11 maart 2026 is alsnog een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt een en ander van voldoende inspanningen van de zijde van verweerder om eiser uit te zetten. De enkele omstandigheid, zoals door eiser naar voren gebracht, dat niet is gebleken van verdere vertrekhandelingen voorafgaand aan het afsluiten van het lp-traject voor Libië, leidt niet tot de conclusie dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.
5. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.