RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13184
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).
Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Overplaatsing naar het detentiecentrum
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2007.
Onrechtmatigheid van de aanhouding
2. Eiser voert aan dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 8 maart 2026 niet duidelijk volgt op welke grondslag eiser is aangehouden. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiser slapend werd aangetroffen op een bootje, maar daaruit blijkt niet dat verbalisanten hebben gevraagd of het bootje van eiser was. Uit het proces-verbaal volgt dat eiser direct is verzocht het bootje te verlaten. Omdat niet duidelijk is op grond waarvan eiser naar zijn identiteitsdocument is gevraagd, is eiser van mening dat sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding. Omdat op het moment van de aanhouding geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond, is sprake van een onrechtmatige aanhouding.
3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie onder andere de uitspraken van 26 juli 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AD6144) en van 17 juni 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE6646)) is het niet aan de bestuursrechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet toegekende bevoegdheden. Slechts indien de onrechtmatigheid van de aanwending van zodanige bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling.
4. De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 8 maart 2026 volgt dat de verbalisanten een verzoek kregen om naar de [locatie] in [plaats 1] te gaan omdat daar mannen in een bootje zouden liggen. Ter plaatste troffen zij het bootje aan en drie mannen aan. De verbalisanten hebben de mannen verzocht het bootje te verlaten. Uit genoemde proces-verbaal volgt voorts dat met behulp van een tolk aan de mannen is gevraagd wat zij in de boot deden en of de boot eigendom van hen was of dat zij deze gehuurd hadden. De mannen verklaarden dat zij de boot willekeurig hadden uitgezocht om te slapen, omdat zij moe waren. Omdat eiser niet kon voldoen aan de identificatieplicht werd hij door de verbalisanten aangehouden op grond van het niet bezitten van een geldig identiteitsbewijs. De rechtbank is op grond van de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen dan ook van oordeel dat hier geen sprake is van de aanwending van vreemdelingrechtelijke bevoegdheden. Gelet op de hierboven genoemde vaste jurisprudentie van de Afdeling slaagt de beroepsgrond niet.
Bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de lichte grond onder 4d heeft betwist en dat de minister deze grond ter zitting heeft laten vallen. De overige gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
7. Eiser voert aan dat hij op 8 maart 2026 om 14.20 uur in bewaring is gesteld en dat hij pas de volgende dag op 9 maart 2026 om 10.26 uur is overgeplaatst naar het detentiecentrum in [plaats 2] . De minister heeft niet onderbouwd waarom dit zo lang heeft geduurd en waarom eiser een nacht in het cellencomplex van de politie moest doorbrengen. Onduidelijk is dan ook of en hoe eiser werd gescheiden van de strafrechtelijk gedetineerden. Dit motiveringsgebrek maakt volgens eiser de maatregel van bewaring onrechtmatig.
8. De rechtbank overweegt dat eiser binnen 24 uur en daarmee tijdig is overgeplaatst naar het detentiecentrum in [plaats 2] . De rechtbank ziet geen juridische grondslag op basis waarvan de minister de door eiser voorgestelde nadere motivering had moeten geven bij een tijdige overplaatsing. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 maart 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.