ECLI:NL:RBDHA:2026:8562

ECLI:NL:RBDHA:2026:8562

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 10-04-2026
Zaaknummer NL26.6271
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring – beroep gegrond – zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek – schadevergoeding + pkv.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.6271

(gemachtigde: mr. R. Deniz),

en

(gemachtigde: mr. N.L. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De minister heeft op 9 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Beslissing

1. Eiser stelt van Azerbeidzjaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Bewaringsgronden

3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.

4. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.

Detentieongeschikt

5. Eiser voert aan dat hij voorafgaand aan de maatregel van bewaring niet is gezien door een arts. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 5 maart 2025, die het belang hiervan laat zien. Uit het dossier blijkt ook niet dat eisers dossier door een arts is bekeken. Dit terwijl hier wel expliciet om is verzocht. Uit het medisch dossier van eiser volgt dat hij in het verleden een suïcidepoging heeft gedaan en dat hij hier nog veel over nadenkt. Verder gebruikt eiser medicatie en wordt gesproken van PTSS. Eiser is van mening dat hij dan ook detentieongeschikt is en dat de maatregel van bewaring daarom niet het juiste middel is voor hem.

6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de maatregel van bewaring volgt niet dat eiser als detentieongeschikt moet worden aangemerkt. Eiser is erop gewezen dat, mochten zich medische omstandigheden voordoen, er medische en ook psychische zorg beschikbaar is. Eiser heeft in zijn gehoor en ter zitting niet onderbouwd waarom hij als detentieongeschikt dient te worden aangemerkt. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

7. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. De minister heeft nagelaten een zorgvuldige belangenafweging te maken waarbij de belangen van eisers kinderen een eerste overweging dienen te vormen. Eisers echtgenote en hun kinderen zijn namelijk ook in Nederland en zijn erg overstuur door de inbewaringstelling van eiser. Zij vinden het belangrijk om de asielprocedure gezamenlijk te doorlopen. Inmiddels hebben de echtgenote en kinderen zich gemeld in [plaats] voor hun asielaanvraag. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 31 december 2025 volgt dat de minister de belangen van de kinderen onvoldoende heeft meegewogen in de afweging om af te zien van de oplegging van de bewaringsmaatregel. Van de minister mocht verwacht worden dat hij actief en zorgvuldig zou handelen met het oog op de belangen van de kinderen. Hierbij is van belang dat de kinderen van eiser bij hem, op straat of bij vrienden/kennissen verblijven. De kennis waar de kinderen weleens verblijven, is wegens omstandigheden in Turkije waardoor eiser niemand had om op terug te vallen. De rol van eiser als vader en de belangen van de kinderen en de kwetsbaarheid van deze kinderen zijn totaal genegeerd en gebagatelliseerd door de minister.

8. De rechtbank overweegt als volgt. In de maatregel van bewaring is onvoldoende gemotiveerd waarom de minister in eisers situatie geen aanleiding heeft gezien om een lichter middel toe te passen. In het gehoor voorafgaand aan deze maatregel heeft eiser verklaard dat hij een vrouw en twee kinderen in Nederland heeft, dat zij alles samendoen en dat zij financieel afhankelijk van hem zijn. In reactie op de vraag welke gevolgen eisers insluiting zouden hebben voor zijn gezins- en familieleven, antwoord eiser wederom dat hij voor het inkomen voor zijn gezin zorgt. Door in het besluit enkel op te nemen dat eiser een vrouw en kinderen heeft maar dat zij worden geholpen door kennissen en vrienden en dat dit geen aanleiding kan zijn voor een lichter middel, zonder op de vermelde omstandigheden in te gaan, is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding. Van de minister mag worden verwacht dat hij in deze situatie zorgvuldig handelt met het oog op de belangen van de kinderen. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat gemachtigde van eiser ter zitting heeft aangevoerd dat zijn vrouw en kinderen op straat leefden tijdens eisers inbewaringstelling. De minister ging er zonder meer vanuit dat zij zouden worden opgevangen door vrienden en kennissen, maar zij kregen slecht af en toe hulp. Vanwege voornoemde omstandigheden oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

9. Gelet op het voorgaande zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek is het beroep gegrond en is de maatregel van bewaring vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig geweest.

10. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 11 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.320, -.

11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.760, -, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

27 maart 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P. Lenstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?