RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45244
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Libische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer Tribak als tolk en de gemachtigde van de minister.
Bij de sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. Later heeft de rechtbank partijen bericht de uitspraaktermijn nog eens met twee weken te verlengen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in Libië jarenlang een relatie gehad met een meisje, [naam] , uit de familie [familienaam] . Zij wilden trouwen maar de familie van het meisje heeft het huwelijksaanzoek van eiser afgewezen omdat zij streng religieus zijn en eiser niet. Ook gebruikt eiser veel hasj en behoort hij volgens de familie tot de verkeerde stam. Na de afwijzing van het huwelijksaanzoek werd eiser in 2017 door de familie van het meisje beschoten. Eiser werd in zijn been geraakt en heeft medische behandelingen ondergaan in Egypte en Tunesië. Bij afwezigheid van eiser werd zijn broer meermaals aangesproken/bedreigd door de familie van [naam] . In 2021 is eiser weer teruggekeerd naar Libië. Enkele maanden na zijn terugkeer werd eiser weer beschoten. Ditmaal door de Radaa militie; een militie die is gelieerd aan de familie van zijn (inmiddels ex) vriendin. Hierop heeft eiser wederom Libië verlaten en is hij naar Nederland gekomen. Eiser vreest bij terugkeer te worden gedood door de familie van zijn (ex)vriendin dan wel de aan hen gelieerde Radaa militie. Ook vreest hij voor discriminatie omdat hij uit een stam afkomstig is die bekend staat als pro-Khaddafi.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
5. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Ook de gestelde discriminatie vanwege zijn stam beoordeelt de minister als geloofwaardig. De problemen van eiser met de [familienaam] familie vindt de minister echter niet geloofwaardig. Hieraan legt de minister ten grondslag dat eiser geen oprechte inspanningen heeft gedaan om documenten te overleggen ter onderbouwing van deze problemen. De minister wijst hierbij op de vele medische behandelingen die eiser heeft ondergaan als gevolg van de beschietingen waarvan hij geen documenten heeft overgelegd. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser op dit punt geen samenhangend en aannemelijk geheel. Hierbij heeft de minister onder meer betekenis toegekend aan de omstandigheid dat eiser tegenstrijdige en vage verklaringen heeft afgelegd over zijn relatie, het huwelijksaanzoek en het moment dat de relatie werd verraden. Ook heeft eiser vaag verklaard over de keren dat hij naar Libië is teruggekeerd, komt hij pas laat met essentiële informatie over de tweede beschieting en is zijn relaas hierover alleen gebaseerd op aannames. De minister werpt eiser ook tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, zonder goede verklaring daarvoor.
6. In de geloofwaardig bevonden motieven, namelijk eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en de discriminatie vanwege zijn stam ziet de minister onvoldoende grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. De door eiser ondervonden problemen als gevolg van discriminatie zijn niet zodanig zwaarwegend dat dit leidt tot een reëel risico op ernstige schade. Zo heeft eiser toegang tot scholing gehad, en had hij een eigen onderneming. De minister wijst zijn aanvraag met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw af als kennelijk ongegrond.
Wat vindt eiser?
7. Eiser vindt dat de minister zijn problemen met de [familienaam] familie ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser voert hiertoe aan dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals deze in zijn zaak is verricht in strijd is met de Kwalificatierichtlijn. Verder is het naar zijn mening onredelijk dat hem wordt tegengeworpen dat hij geen stukken over zijn medische behandelingen in Tunesië en Egypte heeft overgelegd. Eiser wijst verder op zijn psychische problemen waardoor de geconstateerde tegenstrijdigheden niet onverkort aan hem hadden mogen worden tegengeworpen. Ook had de minister in verband met eisers (psychisch) medische problematiek een FMO op moeten starten. Eiser verzoekt de rechtbank om de minister op te dragen dit alsnog te doen. Eiser verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 23 oktober 2025. Verder heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voor vergunningverlening in aanmerking komt. Dit omdat hij vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden meer risico loopt om in Tripoli slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Het oordeel van de rechtbank
De geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in Werkinstructie (WI) 2024/6
8. De rechtbank stelt vast dat eiser al in zijn zienswijze heeft aangegeven dat hij vindt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals deze heeft plaatsgevonden aan de hand van WI 2024/6 in strijd is met de Kwalificatierichtlijn. Eiser heeft hierbij verwezen naar verschillende uitspraken en de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond heeft gesteld aan het Hof van Justitie. De minister heeft hierop in het bestreden besluit gereageerd met de overweging dat de beoordeling van de rechtmatigheid van het beleid niet in de individuele asielprocedure plaatsvindt. In het verweerschrift heeft de minister vervolgens uitgebreid gemotiveerd dat en waarom de werkwijze van de minister zoals uiteengezet in WI 2024/6 niet wezenlijk verschilt van die in de voorgaande WI en volgens de minister wel Richtlijnconform is.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op de stelling van eiser dat de geloofwaardigheidsbeoordeling niet Richtlijnconform is geweest. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is alleen al daarom gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daarbij betrekt de rechtbank de aanvullende motivering zoals verwoord in het verweerschrift.
10. Deze zittingsplaats heeft eerder uitspraak gedaan over de in WI 2024/6 neergelegde geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 7.1., 7.2. en 7.3. van die uitspraak en neemt deze overwegingen hier over. Kortgezegd heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond is om te oordelen dat de toepassing van WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of de toepassing van WI 2024/6 onrechtmatig is geweest.
11. In deze zaak is van belang dat de minister niet is gestopt bij de tegenwerping dat eiser volgens de minister geen goede verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van documenten, maar ook heeft beoordeeld of de verklaringen van eiser samenhangend en aannemelijk zijn. De minister heeft zich op grond van dit samenstel op het standpunt mogen stellen dat de problemen die eiser stelt te hebben gehad met de familie [familienaam] ongeloofwaardig zijn en heeft daarmee niet gehandeld in strijd met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank zal hierna, aan de hand van de bespreking van de beroepsgronden, verder uitleggen hoe zij tot de conclusie komt dat het standpunt van de minister standhoudt.
Geloofwaardigheid van de verklaringen
Het ontbreken van (medische) documenten uit Tunesië en Egypte
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij geen documenten over zijn medische behandelingen in Egypte en Tunesië heeft overgelegd en evenmin pogingen heeft gedaan deze te achterhalen. De stelling van eiser dat deze tegenwerping onredelijk is omdat hij wel zeer uitgebreide medische informatie uit Nederland heeft overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft verklaard in 2017 en 2021 te zijn beschoten vanwege zijn relatie met [naam] en dat hij als gevolg daarvan uitvoerige medische behandelingen ondergaan in Tunesië en Egypte heeft ondergaan. Medische documenten daarover betreffen daarom de kern van het asielrelaas van eiser zodat van eiser mag worden verwacht dat hij het belang van deze documenten inziet en deze overlegt dan wel pogingen onderneemt om deze documenten te verkrijgen. Documenten met betrekking tot eisers medische behandeling in Nederland zijn niet vergelijkbaar en kunnen de buitenlandse stukken niet vervangen. Stukken uit Nederland kunnen bijvoorbeeld de door eiser gestelde tijdlijn niet onderbouwen. Dit blijkt ook uit het feit dat in de medische informatie over eiser uit Nederland een schietverwonding aan rechter schouder en been uit 2019 wordt vermeld, wat niet overeenkomt met de verklaringen van eiser op dit punt.
13. Deze beroepsgrond slaagt niet. .
Vormen de verklaringen van eiser een samenhangend en aannemelijk geheel?
14. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister ook niet ten onrechte tot de conclusie gekomen dat de verklaringen van eiser over zijn problemen met de [familienaam] familie geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat er hierbij (ook) sprake is van wisselende verklaringen van eiser. Eiser is echter van mening dat deze hem niet zijn toe te rekenen zijn vanwege zijn psychische problemen.
15. De rechtbank volgt eiser hierin niet en acht hierbij het volgende van belang. Eiser heeft geen medische onderbouwing van zijn gestelde psychische klachten overgelegd. Ook uit het MediFirst rapport blijkt niet van psychische klachten bij eiser die van invloed kunnen zijn op het coherent, gedetailleerd en consistent verklaren. Wel wordt melding gemaakt van het gebruik van verdovende middelen door eiser. Ook tijdens het nader gehoor wordt door eiser niet aangegeven dat hij last heeft van psychische klachten die van invloed kunnen zijn op zijn verklaringen, noch zijn hiertoe andere indicaties aanwezig. Eerst tijdens het aanvullend gehoor geeft eiser aan dat hij door zijn psychische problemen vergeetachtig is geworden. Deze niet onderbouwde stelling van eiser leidt echter niet tot de conclusie dat tegenstrijdige verklaringen hem niet zouden kunnen worden tegengeworpen. De gehoormedewerker heeft na deze opmerking van eiser gevraagd of eiser in behandeling is en of er iets is waar rekening mee moet worden gehouden tijdens het gehoor. Eiser beantwoordt beide vragen ontkennend. Ook geeft eiser aan geestelijk in staat te zijn tot het gehoor. De gehoormedewerker geeft verder aan dat eiser het kan aangeven als hij behoefte heeft aan een pauze. De minister heeft daarmee zorgvuldig gereageerd op eisers stelling dat hij vergeetachtig zou zijn geworden. Ook blijkt uit het verdere verloop van het aanvullend gehoor niet dat eiser niet zou kunnen verklaren vanwege geheugenproblematiek. Eiser is in staat te antwoorden op de gestelde vragen. Enkel na confrontatie met tegenstrijdigheden beroept eiser zich op geheugenproblematiek
.
16. Verder is in dit kader van belang dat eiser geen tegenstrijdigheden in bijvoorbeeld exacte data worden aangerekend; de minister noemt het voorstelbaar dat de fysieke gesteldheid van eiser en hetgeen hij stelt te hebben meegemaakt invloed op het geheugen kan hebben. De geconstateerde inconsistenties en vaagheden betreffen echter essentiële delen van het asielrelaas van eiser, zoals de vraag of eiser zijn relatie met [naam] al dan niet heeft voortgezet na de afwijzing van het huwelijksaanzoek. Het betreffen feiten en omstandigheden die de kern van het relaas van eiser vormen en waarvan in alle redelijkheid verwacht mag worden dat eiser hier consistent over kan verklaren om daarmee de gebeurtenissen aannemelijk te maken. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat hij door de ondervonden schokken en het vele piekeren in Nederland vergeetachtig is geworden, kan hieraan niet afdoen. De minister heeft er bovendien niet ten onrechte op gewezen dat de geconstateerde inconsistente en vage verklaringen niet alleen zien op de verklaringen die eiser tijdens zijn aanvullend gehoor heeft afgelegd maar ook op verklaringen gedurende zijn nader gehoor. Verder zijn de verklaringen van eiser niet enkel onderling tegenstrijdig maar ook tegenstrijdig met reisstempels uit zijn paspoort. Die stempels komen evenmin overeen met de verklaringen van eiser gedurende zijn nader gehoor. Gelet hierop heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat eiser er, bij gebrek aan objectieve bewijsstukken, niet in is geslaagd zijn verklaringen alsnog aannemelijk te maken door samenhangende en aannemelijke verklaringen af te leggen.
17. De beroepsgrond slaagt niet.
FMO rapport
18. De rechtbank is gelet op wat hiervoor is overwogen ook van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om een FMO op te starten en ziet evenmin aanleiding dit alsnog aan de minister op te dragen. Uit artikel 18 van de Procedurerichtlijn volgt dat de minister beoordelingsruimte heeft bij het opstarten van een FMO. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de minister zich, voor de beoordeling of een FMO relevant is, veelal een, al dan niet voorlopig, oordeel moet vormen over het asielrelaas en de geloofwaardigheid daarvan. Dat heeft de minister ook gedaan. De minister heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is en daarbij kunnen overwegen dat daarvoor ook argumenten zijn waarvoor de gestelde psychische problematiek geen verklaring biedt. De minister heeft dan ook kunnen stellen dat de uitkomsten van een FMO niet tot een ander oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas van eiser zullen leiden en dat een FMO in dit geval daarom niet relevant was. Eiser heeft, zoals hiervoor is overwogen, zijn psychische klachten niet met medische stukken onderbouwd en een enkele stelling van een vreemdeling dat hij psychische klachten heeft is onvoldoende indicatie voor het opstarten van een FMO.
19. Deze beroepsgrond faalt dan ook.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
20. De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft betwist dat de minister de situatie in Tripoli mag kwalificeren als een 15c-situatie in de laagste gradatie. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, ondanks de lage mate van willekeurig geweld in Tripoli, wegens zijn individuele persoonlijke omstandigheden het risico zou lopen om specifiek te worden geraakt door willekeurig geweld. Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat hij veel fysieke klachten heeft en behoort tot een groep die discriminatie ondervindt. Hij heeft echter niet onderbouwd hoe en waarom deze factoren maken dat hij eerder slachtoffer wordt van in Tripoli voorkomende vormen van willekeurig geweld.
21. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
22. Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef, onder a en b, of tweede lid van de Vw te verlenen en de aanvraag van eiser heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen daarom in stand blijven.
Conclusie en gevolgen
23. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het aanvankelijk van een ondeugdelijke motivering was voorzien. Omdat de afwijzing van de asielaanvraag met de aanvullende motivering in het verweerschrift alsnog deugdelijk is gemotiveerd, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond blijft staan.
24. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.