[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
Inleiding
1. De minister heeft bij besluit van 26 februari 2026 de overdrachtstermijn verlengd overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de termijn voor overdracht van eiser aan Zwitserland heeft mogen verlengen wegens het onderduiken van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de minister de overdrachtstermijn terecht heeft verlengd. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen, indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van die vreemdeling gaat dan over op de verzoekende lidstaat. De termijn van overdracht van de vreemdeling kan tot maximaal achttien maanden worden verlengd als de vreemdeling onderduikt.
In de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022 is overwogen dat uit het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uitgelegd moet worden dat een vreemdeling onderduikt, wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht om deze overdracht te voorkomen. Dat is het geval wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. Als van een dergelijke situatie sprake is, dan is het volgens de Afdelingsuitspraak van 5 januari 2023 aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij niet de bedoeling had om de overdracht te voorkomen.
Eiser voert allereerst aan dat hij niet goed is geïnformeerd over de overdracht. Hij wist dat de overdracht op 26 februari 2026 gepland stond, maar niet hoe die overdracht zou plaatsvinden. Eiser stelt dat hij toestemming had gekregen om bij zijn partner in Venray te verblijven en hij was voorafgaand aan de overdracht dan ook niet op het AZC. Op 26 februari 2026 was hij samen met zijn partner onderweg naar Schiphol. Tijdens de autorit is eiser onwel geworden en is hij door zijn partner naar de spoedeisende afdeling van het ziekenhuis gebracht. Daar is hij ruim zeven uur opgenomen geweest. Er was sprake van overmacht. Volgens eiser is geen sprake van het opzettelijk onttrekken aan toezicht.
De rechtbank stelt het volgende vast. Blijkens het dossier heeft op 29 januari 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is aan eiser uitleg gegeven over hoe een overdracht naar Zwitserland zal plaatsvinden. Aan eiser is medegedeeld dat hij de dag voor zijn overdracht op het AZC dient te verblijven en daar ook de nacht dient door te brengen in zijn kamer. Daarnaast heeft de regievoerder tijdens het gesprek aan eiser verteld dat COa hem de avond voor de overdracht zal informeren over de ophaaltijd. Als eiser in de avond - na 18:00 uur - nog geen ophaaltijd heeft doorgekregen, dan moet hij zich melden bij het COa of de receptie zo heeft de regievoerder uitgelegd. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij navraag heeft gedaan bij de regievoerder en dat de regievoerder heeft verteld dat zij deze uitleg altijd geeft, ook aan eiser. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen en dat eiser stelt dat hij zich dit niet kan herinneren maakt dit niet anders.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op de hoogte was dat hij op 26 februari 2026 zou worden overgedragen aan Zwitserland. Ook is niet in geschil dat eiser een dag voor zijn overdracht en op de dag zelf niet aanwezig was op het AZC. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij na een eerdere ziekenhuisopname met het COa heeft afgesproken dat hij bij zijn partner zal verblijven en daarom niet op het AZC aanwezig was. De gemachtigde van de minister heeft dit ter zitting ontkend en een onderbouwing hiervan ontbreekt. Gelet op het voorgaande is eiser de verplichting die hem op 29 januari 2026 is meegedeeld niet nagekomen. Dat eiser op 26 februari 2026 op eigen initiatief samen met zijn partner naar Schiphol wilde gaan, maakt dat niet anders. Door niet op het AZC aanwezig te zijn, kon eiser niet worden geïnformeerd over de precieze wijze van overdracht, zoals in het TBBA-formulier is aangegeven en waarop de gemachtigde van de minister tijdens de zitting een nadere toelichting heeft gegeven. Uit het dossier blijkt verder dat op 26 februari 2026 een verpleegkundige met eiser zou meereizen vanaf het AZC. Doordat eiser daar niet verbleef, was dat onmogelijk.
Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht overwogen dat eiser op 26 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.