RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46558
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: onbekend, verzoeker
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en
Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister de aanvraag van verzoeker om verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘medische behandeling’ buiten behandeling gesteld.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend op 22 november 2024.
Bij besluit van 8 oktober 2025 heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard en de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van verzoeker verlengd van 5 oktober 2024 tot 8 oktober 2026.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker bij brief van 13 oktober 2025 het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en daarbij verzocht de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om op dit verzoek te reageren. De minister heeft bij brief van 31 oktober 2025 van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb. Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op
verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
2. De minister heeft in zijn reactie op het verzoek tot vergoeding van de proceskosten gesteld dat het primaire besluit is herroepen vanwege feiten die pas in de bezwaarfase bekend zijn geworden. Daarom ziet de minister geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. De reden hiervoor is dat verzoeker pas in
de bezwaarfase stukken heeft overgelegd op basis waarvan de minister kon concluderen dat verzoeker, ook na afloop van de geldigheidsduur van de eerder aan hem verleende vergunning, aan de voorwaarden van de gevraagde vergunning heeft voldaan. Dat betekent dat geen aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Om die reden zal het verzoek om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker worden afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 januari 2026