ECLI:NL:RBDHA:2026:8605

ECLI:NL:RBDHA:2026:8605

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 10-04-2026
Zaaknummer NL26.18563
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Vervolgberoep bewaring – toewijzing vovo door Afdeling – grondslag van de maatregel is komen te vervallen – gegrond beroep – opheffing van de maatregel van bewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.18563

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),

en

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Verweerder heeft op 16 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 9 april 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 maart 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 4 maart 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 4 maart 2026.

4. Uit het dossier blijkt dat de voorzieningenrechter van de Afdeling bij uitspraak van 2 april 2026 een door eiser ingediend verzoek om een voorlopige voorziening heeft toegewezen en bepaald heeft dat eiser niet uitgezet mag worden totdat op het door hem ingestelde hoger beroep in zijn asielprocedure is beslist.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser daardoor per 2 april 2026 rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. De getroffen voorlopige voorziening is namelijk een rechterlijke beslissing op grond waarvan de uitzetting van eiser achterwege dient te blijven totdat op het hoger beroepschrift is beslist.

6. De rechtbank is, ambtshalve toetsend, van oordeel dat verweerder aan de maatregel van bewaring vanaf 2 april 2026 niet langer artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vw ten grondslag kon leggen. Voor deze grondslag is immers vereist dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft. Verweerder had dan ook de grondslag van de maatregel van bewaring moeten wijzigen. Omdat verweerder dat niet tijdig heeft gedaan, is de maatregel van bewaring met ingang van 2 april 2026 onrechtmatig.

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.

8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 9 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.080.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.080 te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934.

Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.F. Bethlehem

Griffier

  • mr. W. van Loon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?