Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/220424-25
Datum uitspraak: 10 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1983 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 27 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.B. Schiphuis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. M.D.A. Stam, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 17 juli 2025 tot en met 15 september 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland mw. [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door haar berichten te sturen met de volgende bedreigende woorden, of woorden van gelijke strekking:- "Neem die kkkkkk telefoon op want ik sta echt voor je kk deur mag je die kk wouten bellen heb ik kk schijt aan" en/of- "Ik dreig niet ik doe dat" en/of- "Ik zweer je als je niet opneemt kom ik na je toe" en/of- "Maar ik zeg je 1ding als ik 1 wout te zien of horen krijg ga je het beleven" en/of- "Dit gaat zwaar uit de hand lopen" en/of- "Ik ga echt kk drama maken als ik me wachtwoorden niet krijg. Alles ga je kwijt raken" en/of- "Vieze kk hier dood ga je" en/of- "Vijand nr 1 ben je van nu" en/of- "Maar ik haal me wraak geloof me al moet ik 10jaar zitten" en/of- "Maar je gaat meemaken ik zie jou snel" en/of- "Je gaat echt geloof me ik ben kk boos nu" en/ofen diezelfde mw. [slachtoffer] via diens moeder heeft bedreigd door tegen haar moeder te zeggen: "Je dochter gaat eraan. Ik heb aan iedereen schijt. Ik heb ook schijt aan de wouten", althans woorden van gelijke aard of strekking;
2.hij in of omstreeks de periode van 27 januari 2025 tot en met 15 september 2025 te
's-Gravenhage, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door- die [slachtoffer] veelvuldig te bellen,- die [slachtoffer] veelvuldig (bedreigende) berichten te sturen (per sms en whatsapp),- die [slachtoffer] veelvuldig brieven te sturen en/of- de moeder van die [slachtoffer] te contacten,met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot de feiten gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025255457/30HEBE, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 272).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 27 maart 2026.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 27 januari 2025 (p. 137-140).
3. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangeefster [slachtoffer] , opgemaakt op 29 juli 2025 (p. 52-56).
4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 28 juli 2025 (p. 59-63).
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 oktober 2025 (p. 171-181).
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.hij in de periode van 17 juli 2025 tot 15 september 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door haar berichten te sturen met de volgende bedreigende woorden:- "Neem die kkkkkk telefoon op want ik sta echt voor je kk deur mag je die kk wouten bellen heb ik kk schijt aan" en- "Ik dreig niet ik doe dat" en- "Ik zweer je als je niet opneemt kom ik na je toe" en- "Maar ik zeg je 1ding als ik 1 wout te zien of horen krijg ga je het beleven" en- "Dit gaat zwaar uit de hand lopen" en- "Ik ga echt kk drama maken als ik me wachtwoorden niet krijg. Alles ga je kwijt raken" en- "Vieze kk hier dood ga je" en- "Vijand nr 1 ben je van nu" en- "Maar ik haal me wraak geloof me al moet ik 10jaar zitten" en- "Maar je gaat meemaken ik zie jou snel" en- "Je gaat echt geloof me ik ben kk boos nu"en diezelfde [slachtoffer] via diens moeder heeft bedreigd door tegen haar moeder te zeggen: "Je dochter gaat eraan. Ik heb aan iedereen schijt. Ik heb ook schijt aan de wouten";
2.hij in de periode van 27 januari 2025 tot 15 september 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door- die [slachtoffer] veelvuldig te bellen,- die [slachtoffer] veelvuldig (bedreigende) berichten te sturen (per sms en WhatsApp),- die [slachtoffer] veelvuldig brieven te sturen en- de moeder van die [slachtoffer] te contacten,met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De oplegging van een straf en een maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) wordt opgelegd. Verder heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer] en [aangever] en een locatieverbod met een straal van drie kilometer rondom de woning van voornoemde [slachtoffer] voor de duur van vijf jaren. De officier van justitie heeft verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren en te bepalen dat bij overtreding van deze maatregel telkens twee weken vervangende hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr aan de verdachte wordt opgelegd.
Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat indien tbs met voorwaarden wordt opgelegd, de tbs dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard en dat de voorlopige hechtenis van de verdachte wordt geschorst onder dezelfde voorwaarden als die van de tbs.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest en tbs met voorwaarden op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij, ook ten aanzien van de maatregel, in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna acht maanden schuldig gemaakt aan stalking van zijn ex-partner. Hij heeft haar herhaaldelijk, soms dagen achtereen, meermaals gebeld en voicemails ingesproken, zelfs tijdens zijn detentie. Daarnaast heeft hij veel berichten en brieven naar het slachtoffer gestuurd. Tevens heeft hij de moeder van het slachtoffer gebeld en berichten naar haar verstuurd. Ondanks een stopgesprek met de politie en de duidelijke wens van het slachtoffer om geen contact meer te hebben, is de verdachte hiermee doorgegaan. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich in deze berichten regelmatig dreigend heeft uitgelaten, onder meer door te dreigen met het doden van het slachtoffer. Daarmee heeft hij zich tevens schuldig gemaakt aan bedreiging. Door zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Dergelijke feiten kunnen bovendien psychische gevolgen hebben voor het slachtoffer, zoals blijkt uit de schriftelijke verklaring die ter terechtzitting namens het slachtoffer is voorgelezen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 november 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte eerder is veroordeeld voor bedreiging en voor andere geweldsdelicten, waaronder voor mishandeling van hetzelfde slachtoffer. Tijdens het uitzitten van de aanzienlijke gevangenisstraf die hij onder meer voor die mishandeling kreeg, begon het stalkingsgedrag al. Direct na zijn vrijlating zijn de bedreigingen begonnen. Een vrijheidsstraf en een verblijf in een penitentiaire inrichting hebben de verdachte niet van de feiten kunnen weerhouden.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 22 januari 2026, opgesteld door psychiater dr. B. van der Hoorn en van de Pro Justitia-rapportage van 23 januari 2026, opgesteld door GZ-psycholoog drs. A.C.J. Schrama.
De psychiater en psycholoog concluderen dat de verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van cocaïne en cannabis. Ook is sprake van zwakbegaafdheid. Deze stoornissen waren tijdens het plegen van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Naar het oordeel van de psychiater heeft de combinatie van psychopathologie het denken, voelen en handelen van de verdachte zodanig beïnvloed dat gesproken kan worden over een verminderde toerekenbaarheid ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. Ook de psycholoog komt tot die conclusie. Het risico op recidive wordt door beiden ingeschat als hoog indien de verdachte zonder interventie vrijkomt. De verdachte heeft behandeling nodig en moet hulp krijgen bij allerlei praktische zaken op de verschillende leefgebieden. Naar het oordeel van de psychiater kan deze behandeling ambulant worden vormgegeven, terwijl de psycholoog een kader met een gedeeltelijke voorwaardelijke straf als onvoldoende beschouwt. Indien blijkt dat de verdachte niet voldoende gemotiveerd is kan worden overwogen het traject klinisch te laten starten. Het uitvoeren van bovenstaand resocialisatietraject dient plaats te vinden in een stevig strafrechtelijk kader. Beiden adviseren dit traject binnen de kaders van tbs met voorwaarden uit te voeren. Daarnaast adviseren zij de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.
Voorts weegt de verklaring van de psycholoog ter terechtzitting mee dat het bijbehorende kader van deze tbs met voorwaarden heel zwaar is gemaakt. De dreiging van een omzetting naar tbs met dwangverpleging zou volgens de psycholoog de verdachte voldoende motivatie moeten brengen om zich aan de voorwaarden te houden.
De rechtbank volgt de psychiater en de psycholoog als het gaat om de toerekening van de bewezen verklaarde feiten aan de verdachte en is van oordeel dat die feiten de verdachte in verminderde mate moeten worden toegerekend.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 20 maart 2026. Uit dit advies volgt dat de reclassering zich in grote lijnen aansluit bij hetgeen door de psychiater en psycholoog in de Pro Justitia-rapportages is geconcludeerd.
De reclassering schat het risico op recidive en letselschade als hoog. De reclassering adviseert gematigd positief over tbs met voorwaarden. Zij heeft twijfels over de haalbaarheid omdat de motivatie van de verdachte voor opname in een zorginstelling beperkt is en hij moeite heeft met het formuleren van een hulvraag. In de gesprekken met de verdachte is langzaamaan een groei waargenomen, hetgeen de haalbaarheid van het kader van een tbs met voorwaarden kan vergroten. Ook de ‘stok achter deur’ van een maatregel van tbs met dwangverpleging werkt hierin volgens de reclassering ondersteunend. De verdachte stemt in met de gestelde voorwaarden en de reclassering houdt rekening met het feit dat de verdachte niet eerder een langdurige (forensisch) klinische behandeling heeft gevolgd. De reclassering adviseert de voorwaarden van de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren en daarnaast een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking aan de verdachte op te leggen. Daarnaast wordt geadviseerd de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen onder dezelfde voorwaarden als die van de tbs.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Gelet op al het voorgaande is de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De op te leggen maatregel
Aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van tbs is voldaan. De bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 2°, Sr. Ten tijde van het begaan van deze feiten was bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Op grond van de aard van het feit, de inhoud van de Pro Justitia-rapportages en het reclasseringsadvies, is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op het hoge recidiverisico, de veiligheid van anderen eist dat aan de verdachte tbs wordt opgelegd.
Het is het meest passend is om tbs met voorwaarden op te leggen, waarbij in aanmerking is genomen dat beide deskundigen van de Pro Justitia-rapportages en de reclassering hiertoe (en niet tot tbs met dwangverpleging) hebben geadviseerd. De noodzaak van het zwaardere dwangverplegingskader is vooralsnog onvoldoende gebleken. Aan de tbs zal de rechtbank ter bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen de voorwaarden verbinden die de reclassering in haar advies van 20 maart 2026 heeft geadviseerd. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is om zich aan deze voorwaarden te houden.
De rechtbank stelt vast dat de tbs niet wordt opgelegd voor feiten die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op de ernst van de feiten en de noodzaak van behandeling van de verdachte, alsmede het gevaar voor recidive, zal de rechtbank op grond van artikel 38, zesde lid, Sr bepalen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
De 38v-maatregel
Nu de verdachte eerst het resterende deel van de opgelegde gevangenisstraf moet ondergaan en het contactverbod en het locatieverbod reeds in de voorwaarden van de tbs zijn opgenomen, acht de rechtbank het niet nodig om daarnaast nog een maatregel in de zin van artikel 38v Sr op te leggen die bestaat uit dezelfde verboden.
Maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking
Aan de wettelijke vereisten van artikel 38z, eerste lid, Sr is voldaan. De rechtbank gelast immers de tbs van de verdachte. Gelet op de inhoud van de rapportages van de deskundigen en het reclasseringsadvies is de oplegging van tbs in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, in het bijzonder het slachtoffer, en de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal dan ook de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen, zodat de officier van justitie na beëindiging van de voorwaardelijke tbs, indien nodig, de mogelijkheid heeft toereikende maatregelen te nemen om recidive te kunnen voorkomen.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank ziet geen aanleiding om de voorlopige hechtenis te schorsen, in het bijzonder gelet op de tijd die de verdachte nog in de gevangenis moet doorbrengen.
7. De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 11.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 5.000,- aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering met betrekking tot de materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 60,89. De overige gevorderde materiële schade is niet onderbouwd en de benadeelde partij dient in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. De immateriële schade dient gematigd te worden tot € 5.000,-. De officier van justitie verzoekt het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade niet is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman bepleit dat deze gematigd dient te worden, mede gelet op eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘kosten aanschaf beveiliging’ ter hoogte van € 60,89 is deze door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank is met betrekking tot de overige gevorderde materiële schade van oordeel dat op dit moment niet kan worden vastgesteld dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de gevorderde schade en de bewezen verklaarde feiten. Het betreft een schatting van reiskosten en nader te onderbouwen schade met betrekking tot kosten voor therapie en uitgaven ten aanzien van de veiligheid. Nu het rechtstreeks verband tussen de bewezen verklaarde feiten en de toekomstige schade nog niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaring in dit deel van de vordering tot schadevergoeding.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten. Het gaat om een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. De normschending is in dit geval – in het bijzonder gelet op de indringendheid van beide bewezen verklaarde feiten – zodanig dat die aantasting ook zonder onderbouwing kan worden aangenomen. Er is dus een wettelijke grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding. Vervolgens is de vraag wat billijk is. Hiervoor kijkt de rechtbank naar alle omstandigheden van het geval. Zij acht een bedrag van € 3.000,- billijk. Het meergevorderde wijst zij af.
Eigen schuld
De rechtbank acht geen termen aanwezig om een correctie toe te passen vanwege de door de verdediging gestelde eigen schuld bij de benadeelde partij.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.060,89, bestaande uit € 60,89 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 15 september 2025.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.060,89, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .
8. Het in beslag genomen voorwerp
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen telefoon van de verdachte verbeurd wordt verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoon aan de verdachte moeten worden teruggegeven.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de telefoon van de verdachte verbeurd verklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze aan de verdachte toebehoort en hiermee de bewezen verklaarde feiten zijn begaan.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 38, 38a, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
belaging;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;
stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde, te weten dat de terbeschikkinggestelde:
1. zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
2. meewerkt aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
• de terbeschikkinggestelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
• de terbeschikkinggestelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de terbeschikkinggestelde vast te stellen;
• de terbeschikkinggestelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de terbeschikkinggestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
• de terbeschikkinggestelde verstrekt de reclassering een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is;
• de terbeschikkinggestelde zorgt ervoor dat hij te allen tijde bereikbaar is voor zijn begeleiders en behandelaren;
• de terbeschikkinggestelde werkt mee aan huisbezoeken;
• de terbeschikkinggestelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
• de terbeschikkinggestelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
• de terbeschikkinggestelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de terbeschikkinggestelde, als dat van belang is voor het toezicht;
• de terbeschikkinggestelde verschaft de reclassering zicht op de voortgang van zijn resocialisatie en begeleiding en verleent de reclassering toestemming om relevante referenten te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn netwerk;
• de terbeschikkinggestelde zal geen omgang hebben met personen die zijn resocialisatie in gevaar (kunnen) brengen en stelt zich open op inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties en heeft geen bezwaar dat deze door de reclassering worden gescreend;
3. zich laat opnemen en zal verblijven in een nog nader door IFZ/DIZ te indiceren klinische setting, of soortgelijke forensische instelling zulks te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start direct aansluitend aan detentie. De opname duurt zolang de reclassering en het behandelteam dat nodig vinden. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de daar geldende huisregels, afspraken en aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering en het behandelteam een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vinden, werkt de terbeschikkinggestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
4. als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, voor een time-out kan worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek of andere (soortgelijke) instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
5. aansluitend aan zijn klinische opname zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
6. zich aansluitend aan zijn klinische behandeling laat behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.
7. geen drugs en alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de terbeschikkinggestelde wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest) en urineonderzoek.
Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de terbeschikkinggestelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
8. zich inzet voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding en houdt zich aan de voorwaarden c.q. regels die hem gesteld worden;
9. inzage geeft in zijn financiën en werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Indien de reclassering dat aangewezen acht, werkt hij mee aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en/of beschermingsbewind;
10. zich niet buiten de Europese landsgrenzen van Nederland zal begeven;
11. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1982, en [aangever] , geboren op [geboortedatum 3] 1959, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De terbeschikkinggestelde werkt mee aan elektronische monitoring van dit contactverbod, zolang de reclassering dat nodig vindt. Met elektronische monitoring via enkelband en slachtofferdevice kan de reclassering [slachtoffer] informeren als de terbeschikkinggestelde dichtbij komt;
12. zich niet zal bevinden in een straal van 3 kilometer rond de woning van [slachtoffer] te [adres] , zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan de terbeschikkinggestelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. De terbeschikkinggestelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, op grond van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
de vordering van de benadeelde partij
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.060,89, bestaande uit € 60,89 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 3.060,89, bestaande uit € 60,89 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
het in beslag genomen goed
verklaart verbeurd het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten:
- 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1500-2025250988-3366011, Samsung Galaxy A14).
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter,
mr. G.H.M. Smelt, rechter,
mr. T.A.B. Mentink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. K.Z. Zeeman, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 april 2026.