RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51864
geboren op [geboortedatum],
van Jordaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
(gemachtigde: mr. I. van Es).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt ongelijk en geen vergoeding van zijn proceskosten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser vreest bij terugkeer dat zijn Jordaanse nationaliteit wordt ingetrokken. Eiser heeft een dubbele nationaliteit, namelijk naast een Palestijnse ook de Jordaanse nationaliteit. Eiser stelt in Jordanië als een tweederangsburger te worden behandeld. Eiser was algemeen directeur van een bedrijf werkzaam in de toeristische sector. Eiser is in Jordanië bedreigd door [naam 2], een hoge functionaris binnen de inlichtingendienst. [naam 2] dreigde eiser zijn nationaliteit af te pakken en zijn vrouw en kinderen op straat te zetten als eiser weigerde gunsten te verlenen aan hem.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De problemen met [naam 2] heeft de minister ongeloofwaardig bevonden. De minister heeft geconstateerd dat eiser zijn verklaringen ten aanzien van de problemen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. De minister heeft vervolgens beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval nu niet wordt voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. De minister acht de verklaringen van eiser over de problemen met [naam 2] geen samenhangend en aannemelijk geheel.
Heeft de minister asielmotief 2 ten onrechte ongeloofwaardig bevonden?
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister in het bestreden besluit verwijst naar de motivering in het voornemen. In het voornemen heeft de minister overwogen dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die het asielmotief volledig onderbouwen en aan eiser tegengeworpen dat hij niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
De rechtbank is van oordeel dat de minister asielmotief 2 niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser bijvoorbeeld niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe [naam 2] aan het Palestijnse paspoort van zijn vader is gekomen. De minister heeft in dat kader niet ten onrechte vaag geacht dat eiser geen navraag heeft gedaan bij zijn vader hoe [naam 2] aan het paspoort van zijn vader is gekomen. De minister heeft er ook niet ten onrechte op gewezen dat uit de door eiser overgelegde stukken niet volgt dat zijn nationaliteit kan worden ingetrokken op basis van een Palestijns paspoort van zijn vader uit 2001/2002. Ook heeft de minister eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat zijn verklaringen over de HR-directeur wisselend en niet-inzichtelijk zijn. Zo heeft eiser wisselend verklaard over de nationaliteit van de HR-directeur en heeft hij niet inzichtelijk kunnen maken hoe de HR-directeur contact heeft kunnen leggen met [naam 2]. De verklaringen van eiser omtrent de voorzichtigheid van [naam 2] heeft de minister ook niet ten onrechte vaag geacht. Eisers stelling dat menselijke handelen niet altijd logisch is, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat eiser de betalingen aan [naam 2] niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft eiser verder niet ten onrechte tegengeworpen dat zijn angsten niet rijmen met zijn gedrag. Zo heeft eiser verklaard dat hij alle bedreigingen van [naam 2] vanaf februari 2021 serieus neemt, maar is eiser sindsdien meerdere keren Jordanië in- en uitgereisd. Zo heeft eiser een visum gehad voor Hongarije en is hij ook naar Cyprus gereisd. De rechtbank is van oordeel dat de minister ook niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat zijn verklaringen over zijn uitreis niet rijmen met de verklaringen over het intrekken van zijn nationaliteit. Eisers niet nader onderbouwde stelling dat hij steekpenningen betaalde voor het in- en uitreizen is onvoldoende voor een ander oordeel. De minister heeft daarbij namelijk kunnen betrekken dat eiser een nieuw paspoort aan heeft kunnen vragen, hierbij geen problemen heeft ondervonden en nog altijd de Jordaanse nationaliteit heeft. De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat zijn Jordaanse nationaliteit is ingetrokken. De rechtbank overweegt dat eiser verder ook niet heeft onderbouwd dat [naam 2] eisers nationaliteit zal intrekken wanneer hij terugkeert.
De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd. De rechtbank overweegt dat eiser uitgebreid heeft verklaard op de vragen en dat eiser in het nader gehoor is gevraagd naar de ongerijmdheden in zijn verklaringen en ook is bevraagd over het intrekken van de nationaliteit. Daarnaast is eiser ook middels de correcties en aanvullingen en de zienswijze in de gelegenheid geweest om deze ongerijmdheden weg te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Risico op ernstige schade
6. De rechtbank volgt de minister in de stelling dat het mogelijk is dat de nationaliteit kan worden ingetrokken en dat er gevallen zijn waarin dat gebeurd, maar dat uit de landeninformatie volgt dat dit niet leidt tot problemen. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom hij toch een risico op ernstige schade loopt. Ook uit de brief van Vluchtelingenwerk Nederland volgt niet dat eiser persoonlijk een risico op ernstige schade loopt bij terugkeer. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.