[vreemdeling] eiser,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. N.R. Imminga),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
alsmede
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 10 januari 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 10 januari 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 10 januari 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft op 30 januari 2026 en op 17 februari 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 11 maart 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt - samengevat - het volgende. In de nacht van 8 januari 2026 werd beveiliger A rond 03:05 uur door beveiliger B via de portofoon gevraagd om vanwege ernstige overlast vanuit de kamer van eiser assistentie te verlenen. Bij aankomst werd eiser op zijn gedrag aangesproken, waarop eiser luid begon te schreeuwen in zijn eigen taal. Ook maakte hij agressieve handbewegingen, zoals het wegduwen van beveiliger A. Eiser maakte een verwarde indruk en leek zichtbaar onder invloed van alcohol en drugs. Nadat er geprobeerd werd om met eiser te communiceren via een vertaalapp en eiser hierop agressief reageerde, kwam eiser zeer dicht op beveiliger A staan. Hij duwde deze naar achteren, schreeuwde en schold hem uit in zijn eigen taal. Vervolgens begon eiser te duwen en te trekken, waarbij hij beveiliger A bij de kraag greep en deze eiser van zich af moest duwen. Direct daarna pakte eiser beveiliger A bij de pols vast en kneep hier met kracht in. Terwijl eiser dit deed, probeerde hij zowel beveiliger A als beveiliger B te slaan. Deze slagen werden ontweken. Toen beveiliger B vervolgens 112 belde voor assistentie, rende eiser richting de receptie, waarbij beide beveiligers eiser onder controle probeerden te houden. Eiser spuugde beveiliger A eenmaal in het gezicht, waarna beveiliger A kort naar het toilet ging om dit af te wassen. Beveiliger B bleef op dat moment alleen met eiser achter en probeerde hem in bedwang te houden. Nadat beveiliger B rond 03:15 uur naar buiten ging om de politie op te vangen, werd eiser opnieuw zeer agressief en gaf hij beveiliger A een harde klap, waarbij deze tegen het hoofd aan de linkerzijde werd geslagen. Beveiliger A raakte hierdoor duizelig omdat hij op zijn slaap werd geraakt. Beveiliger A pakte de handen van eiser vast om verdere slagen te voorkomen, waarop eiser beveiliger A op zijn handen begon te krabben en hem in zijn rug, schouder en armen beet. Daarnaast gaf eiser meerdere vuistslagen tegen het hoofd van beveiliger A. Tijdens het incident gooide eiser de portofoon van beveiliger A op de grond, waardoor deze niet direct om hulp van zijn collega kon roepen. Eiser kwam deels los en begon met zijn linkerhand over de balie te graaien, waarbij hij zichtbaar naar een voorwerp zocht. Hij pakte een onbekend voorwerp van de balie en maakte hiermee een stekende of slaande beweging richting beveiliger A. Beveiliger A ontweek de beweging, liet eiser los en rende weg. Rond 03:25 uur arriveerde de politie en werd eiser in zijn kamer aangehouden op verdenking van mishandeling. Na de aanhouding heeft beveiliger A aangifte gedaan en er zijn foto’s gemaakt van het letsel.
Beroepsgronden eiser
4. Eiser stelt dat op grond van artikel 2 van het aanvullend protocol (nr. 4) van het EVRM eenieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, het recht heeft zich vrijelijk te verplaatsen. Aan deze rechten mogen alleen beperkingen worden gebonden die bij wet zijn voorzien en noodzakelijk zijn in het belang van de nationale of openbare veiligheid of de handhaving van de openbare orde. Ervan uitgaande dat de maatregel is opgelegd in het kader van de openbare orde, stelt eiser in dat verband geen gevaar op te leveren. Hij erkent dat zijn reactie buitensporig was, maar dit wil niet zeggen dat hij een gevaar voor de openbare orde vormde. Eiser wilde klagen over zijn gestolen spullen maar kreeg geen gehoor. Dat triggerde hem. Het voorval heeft dus plaatsgevonden onder zeer specifieke omstandigheden. Daarnaast zijn het COa en de IND niet bevoegd een besluit te nemen in het kader van de openbare orde. Eiser verwijst daarbij naar de website van het COa, waar wordt aangegeven dat ze bij zaken die de openbare orde betreffen, de politie inschakelen.
Daarnaast stelt eiser dat niet duidelijk in hoeverre de minister het Unierechtelijke openbare ordecriterium heeft gehanteerd in haar beslissing. De IND heeft hiervoor een werkinstructie (WI 2022/12). Voor een beroep op de openbare orde, geldt een zwaardere motiveringseis.
Ook voert eiser aan dat de beslissing van het COa om eiser in de HTL te plaatsen ten onrechte uitsluitend is gemaakt op basis van de verklaring van de beveiliger, terwijl de verklaring van eiser hiervan afwijkt. Eiser voert aan dat hij om 22:30 uur aan het bellen was met het ziekenhuis, omdat zijn broer hier na een ongeluk bewusteloos lag. Toen eiser hierop werd aangesproken door de beveiliger en eiser vervolgens tegen de beveiliger zei dat hij geen Turks maar Koerdisch sprak, knapte er iets bij de beveiliger. De beveiliger greep eiser bij zijn nek, waarna eiser schreeuwde dat de beveiliger hem los moest laten. Op de zitting heeft eiser aangevoerd dat de beveiliger zorgde voor de escalatie en dat hij handelde uit zelfverdediging. Hij probeerde zich enkel los te maken en hij heeft de beveiliger niet gebeten en geslagen. Ook stelt eiser dat hij niets van de balie heeft gepakt. Eiser is hier onvoldoende en niet op correcte wijze over gehoord en is er geen nader onderzoek gedaan naar de feiten. Dit maakt dat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Verder voert eiser aan dat het besluit van het COa onvoldoende is gemotiveerd en hierdoor onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de gestelde impact van het incident onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Niet is vast te stellen dat zijn handelingen gericht waren op het toebrengen van lichamelijke en psychologische schade. Daarnaast is door het COa onvoldoende gemotiveerd dat eerdere lichtere maatregelen gefaald zouden hebben, omdat het niet duidelijk is om welke lichtere maatregelen het gaat.
Door eiser wordt aangevoerd dat de plaatsing in de HTL in strijd is met het Vluchtelingenverdrag en de Opvangrichtlijn. Volgens artikel 21 van het Vluchtelingenverdrag moeten vluchtelingen worden opgevangen op een zo gunstig mogelijke wijze, of in ieder geval niet minder gunstig dan die welke in het algemeen aan vreemdelingen in dezelfde omstandigheden moet worden geboden. De opvang zoals geboden in de HTL, is in strijd met deze bepaling. Bewoners mogen weliswaar de opvang verlaten, maar de consequentie is dat men op straat komt te staan. Eiser verwijst daarbij naar een onderzoek van de Inspectie van Justitie en Veiligheid. Daaruit blijkt dat de leefomstandigheden en veiligheid van de HTL niet op orde zijn, omdat er onbevoegd geweld wordt toegepast.
Op de zitting heeft eiser de grond dat het GZA-akkoord niet te verifiëren is ingetrokken. De grond dat er geen sprake is van een persoonlijk behandelplan, heeft eiser ook op de zitting ingetrokken. De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat zij onlangs heeft begrepen dat er wel een behandeling van eiser is, waarbij er gesprekken worden gevoerd met een psycholoog. Daarnaast is op 1 april 2026 de zorg geïntensifieerd, is er een psychiater ingeschakeld en krijgt eiser andere medicatie zodat hij beter kan slapen.
Beoordeling door de rechtbank
Openbare orde
5. De rechtbank overweegt dat het COa voldoende heeft gemotiveerd dat eiser behoort tot de HTL-doelgroep. De rechtbank ziet geen concrete aanknopingspunten dat het Unierechtelijke openbare ordecriterium hier van toepassing is, omdat de plaatsing in de HTL niet leidt tot verblijfsweigering of verblijfsbeëindiging. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen aanleiding is voor de stelling dat moet worden aangesloten bij de Unierechtelijke uitleg van het openbare orde-criterium. De beroepsgrond slaagt niet.
De verslaglegging van het incident
6. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat de beveiliger hem juist bij de nek greep, hij de beveiliger niet heeft gebeten en heeft geslagen en daarnaast ook niets van de balie heeft gepakt, acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. Uit de verslaglegging volgt duidelijk hoe het incident heeft plaatsgevonden en dat (een deel van) de feiten door meerdere getuigen, namelijk medebewoners en de twee beveiligers, zijn waargenomen. Ook zijn er foto’s gemaakt van het letsel. Het is dan ook voldoende aannemelijk dat de gedragingen zoals door het COa beschreven, zich hebben voorgedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
De impact
7. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, omdat het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstig fysieke schade toe te brengen. Zoals hiervoor overwogen, gaat de rechtbank uit van de verslaglegging van het COa. Hieruit volgt onder andere dat eiser fysiek geweld heeft toegepast tegen beveiliger A, door deze tegen het hoofd te slaan, in zijn handen te krabben, in de rug, schouders en armen te bijten en in het gezicht te spugen. Dit fysieke geweld heeft ertoe geleid dat beveiliger A een bult op het voorhoofd en krabsporen op de handen heeft opgelopen. Daarnaast heeft eiser beveiliger B in het gezicht proberen te slaan en heeft hij deze geschopt. Politie moest ter plaatse komen en eiser is aangehouden op verdenking van mishandeling, waarna beveiliger A aangifte tegen eiser heeft gedaan. Dat eiser kampt met mentale klachten en mogelijk was aangeslagen doordat zijn broer bewusteloos in het ziekenhuis lag, maakt niet dat dit gewelddadige gedrag richting de beveiliging gerechtvaardigd is. Uit de verslaglegging van het COa blijkt duidelijk dat de gewelddadige handelingen van eiser een directe en ernstige impact hebben gehad op de veiligheid van de beveiligers en de medebewoners en dat het incident heeft geleid tot een verstoring van de orde, veiligheid en beheersbaarheid van de locatie. Het COa heeft daarnaast terecht overwogen dat al er eerder incidenten hebben plaatsgevonden waarbij is gekozen voor lichtere maatregelen, maar deze niet hebben geleid tot gedragsverandering.
De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. De rechtbank overweegt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen contra-indicatie vormen voor het opleggen van het plaatsingsbesluit. Verder heeft eiser ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding hadden moeten geven om van het beleid van het COa af te wijken. De beroepsgrond slaagt niet.
Bestuurlijke ordemaatregel en vrijheidsbeperking
8. De rechtbank overweegt dat het COa terecht heeft aangevoerd dat een HTL-maatregel geen bestraffende, maar een bestuursrechtelijke ordemaatregel is ter bescherming tegen overlast(gevers) en ter waarborging van de veiligheid(beleving) van medebewoners en medewerkers op de opvanglocatie. Deze plaatsing heeft als doel om eiser te confronteren met de gevolgen van zijn gedrag en is daarnaast een middel om te komen tot gedragsverbetering dankzij een striktere dagindeling en extra begeleiding.
Over de leefbaarheid en veiligheid op de HTL verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 16 februari 2024. In deze uitspraak heeft de meervoudige kamer van deze zittingsplaats bevestigd dat de HTL een vorm van vrijheidsbeperking is, en geen vrijheidsontneming. Dit is ook bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 11 september 2024. Ook is geoordeeld dat de leefbaarheid en veiligheid in de HTL niet zodanig zijn dat de opvang die aldaar wordt geboden in strijd is met de artikelen 3 en/of 8 van het EVRM. De rechtbank ziet in eisers betoog geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank overweegt tot slot dat eiser recht heeft op opvang, maar hem nu tijdelijk opvang is geboden in de HTL omdat hij de huisregels in het AZC heeft overtreden. Het staat eiser verder vrij om de HTL vrijwillig te verlaten. De rechtbank is van oordeel dat de HTL-maatregel terecht aan eiser is opgelegd. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de HTL-maatregel in strijd te achten met artikel 21 van het Vluchtelingenverdrag. De beroepsgrond slaagt niet.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
9. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Conclusie en gevolgen
10. Dat betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, op 10 april 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift is naar partijen verzonden op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.