[vreemdeling], eiser,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
alsmede
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 14 februari 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 14 februari 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 14 februari 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft op 4 maart 2026 en 11 maart 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 17 maart 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt - samengevat - het volgende. Op 10 februari 2026 betrad eiser omstreeks 05:30 uur de benedenverdieping van het C-gebouw, een afdeling die alleen is bestemd voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Wanneer eiser voor de deur die toegang geeft tot de veilige ruimte van het COa stond en door het raam keek, deed COa-medewerker 2 de deur uit voorzorg op slot. Eiser had namelijk tijdens eerdere nachten herhaaldelijk zijn voet tussen de deur geplaatst en weigerde te vertrekken. Dit veroorzaakte een onveilig gevoel bij COa-medewerker 2. Nadat eiser wegliep en vervolgens weer bij de deur kwam, kwam COa-medewerker 2 om de hoek, omdat eiser telkens bij oogcontact richting haar wilde bewegen. Nadat COa-medewerker 1 eiser nogmaals waarschuwde, viel eiser COa-medewerker 1 aan door deze met beide handen op zijn borst te duwen en in de buik te trappen met een karatetrap. Daarbij stak eiser zijn been omhoog en schopte met de voet boven in de buik van COa-medewerker 1. Door de kracht van de trap werd COa-medewerker 1 tegen de muur van het voorportaal geduwd. Toen COa-medewerker 2 geluiden hoorde en zag dat COa-medewerker 1 achteruit bewoog en tegen de muur aankwam, riep hij onmiddellijk “Code Alpha” via de portofoon. Eiser rende vervolgens naar buiten. Ongeveer een minuut na de “Code Alpha” arriveerden de beveiligers, waarbij eiser een achterwaartse karatetrap richting de beveiligers maakte. COa-medewerker 1 heeft contact gezocht met de politie en zou worden teruggebeld om een afspraak te maken van voor de aangifte.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat zowel het plaatsingsbesluit als de vrijheidsbeperkende maatregel vanaf het moment van oplegging onrechtmatig zijn, doordat het dossier geen GZA-akkoord bevat. Hierdoor is het niet mogelijk te beoordelen of in het medisch advies rekening is gehouden met alle relevante persoonlijke omstandigheden van eiser en had het COa daarom aanvullend onderzoek moeten uitvoeren.
Daarnaast stelt eiser dat zijn zienswijze op het incident niet is opgenomen in het plaatsingsbesluit. Ook voert eiser aan dat er geen deugdelijke inschatting is gemaakt van welke maatregel het meeste effect zal hebben op de gedragsverandering van eiser en dat het COa onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in deze zaak niet is gekozen voor een lichter middel. Eiser stelt dat het COa onvoldoende heeft onderzocht of plaatsing in de HTL in dit geval noodzakelijk en proportioneel is.
Tot slot voert eiser aan dat zowel het plaatsingsbesluit als de HTL-maatregel niet over een voldoende wettelijke basis beschikken. Daarnaast wordt binnen de HTL onbevoegd geweld toegepast. Ook het recht op privéleven, als bedoeld in artikel 8 EVRM, wordt geschonden. Eiser verwijst naar een artikel van A&MR “over geweldgebruik, de ROV-kamer en de vreemde wereld van boa’s” van dhr. Verbaas en naar de uitspraak van rechtbank Roermond van 19 april 2023.
Oordeel van de rechtbank
GZA-akkoord
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat er een GZA-akkoord in het dossier aanwezig is en dat dit akkoord is gegeven voordat eiser werd overgeplaatst naar de HTL. De rechtbank overweegt dat GZA op 10 februari 2026 akkoord is gegaan met overplaatsing van eiser naar de HTL en geen belemmeringen heeft geconstateerd. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 december 2023 gaat daarom niet op. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat het GZA-akkoord ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.
Het incident en de kwalificatie
6. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de beschrijving van het incident en de kwalificatie daarvan door het COa door eiser zijn betwist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. Ook is de rechtbank van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, omdat het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstig fysieke schade toe te brengen. Zoals hiervoor overwogen, gaat de rechtbank uit van de verslaglegging van het COa. Hieruit volgt onder andere dat eiser met zijn beide handen COa-medewerker 1 in de borst duwde en hij deze in de buik trapte met een karatetrap, waardoor COa-medewerker 1 achteruit bewoog en tegen de muur aankwam. Dit had tot ernstig letsel kunnen leiden bij COa-medewerker 1. De rechtbank is van oordeel dat dit gewelddadige gedrag van eiser dan ook kan worden gekwalificeerd als doelgericht handelen dat erop gericht was om de COa-medewerker ernstige fysieke schade toe te brengen. Het COa heeft daarom, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit.
Zienswijze op incident
7. De rechtbank overweegt dat eiser zelf weigerde de spreekkamer in te gaan en er een tolk is ingeschakeld die de visie van het COa en de maatregel aan eiser heeft toegelicht. Uit het plaatsingsbesluit blijkt dat eiser heeft gezwegen en geen reactie heeft gegeven op de toelichting van het COa, geen informatie heeft verstrekt die aanleiding gaf om de maatregel te heroverwegen en dat eiser door het overhandigen van zijn kamersleutel en het meelopen naar de taxi heeft laten zien dat hij de instructies van de medewerkers begreep. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
8. De rechtbank stelt vast dat uit de chronologische volgorde van incidenten en maatregelen, die als bijlage 1 aan het plaatsingsbesluit is bijgevoegd, blijkt dat eiser vóór onderhavig incident in de periode tussen 14 mei 2022 en 5 februari 2026 meerdere incidenten heeft veroorzaakt waarbij verschillende lichtere maatregelen zijn opgelegd. Zo zijn er meerdere leermaatregelen opgelegd, hebben er vele correctiegesprekken met eiser plaatsgevonden en heeft eiser meerdere keren een time-out en ROV-maatregelen opgelegd gekregen. Ook heeft eiser eerder, op 13 juni 2022, een HTL-maatregel opgelegd gekregen vanwege agressie en geweld tegen COa-personeel. Gelet op het onderhavige incident en het onveranderde gedrag van eiser, heeft het COa naar het oordeel van de rechtbank terecht geen lichter middel aan eiser opgelegd. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 mei 2024 gaat niet op, omdat het hier geen gelijke gevallen betreft. In die uitspraak betrof het een vreemdeling die al twee jaar in de opvang van het COa verbleef en nooit incidenten van enige betekenis had veroorzaakt. Doordat er sprake is van regelmatig terugkerend grensoverschrijdend gedrag van eiser waardoor de veiligheid op de reguliere locatie met de aanwezigheid van eiser niet kan worden gewaarborgd, is de rechtbank is van oordeel dat de plaatsing in de HTL proportioneel en genoodzaakt is. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Onbevoegd geweld en schending van artikel 8 EVRM
9. De rechtbank stelt vast dat in het geval van eiser niet is aangevoerd en niet is vastgesteld dat er bij zijn binnenkomst dwangmiddelen zijn toegepast door COa-medewerkers of boa’s. De rechtbank ziet zich om die reden niet genoodzaakt een oordeel te vellen over de mogelijke toepassing van dwangmiddelen door boa’s bij binnenkomst in de HTL en ziet hierin ook geen reden om de plaatsing in de HTL in het geval van eiser onrechtmatig te achten.
Verder overweegt de rechtbank dat zij al eerder geoordeeld heeft dat op basis van het Inspectierapport van 12 oktober 2022 en de beleidsreactie hierop van 13 oktober 2022, niet kan worden geconcludeerd dat de leefbaarheid en veiligheid in de HTL zodanig is dat de opvang die wordt geboden in strijd is met artikel 3 of artikel 8 van het EVRM. Op 16 februari 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak daaraan toegevoegd geen aanleiding te zien om hier, in het licht van het Inspectierapport van 27 maart 2023 en de hierop volgende beleidsreactie van 5 april 2023, anders over te oordelen. Alhoewel het mogelijk is dat plaatsing in specifieke gevallen onrechtmatig kan zijn, is dat in het onderhavige geval en bij gebrek aan onderbouwing niet het geval. De rechtbank weegt daarbij ook nadrukkelijk de uitspraken van 11 september 2024 van de Afdeling mee. In de verwijzing naar een andere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
10. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Conclusie en gevolgen
11. Dat betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, op 10 april 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift is naar partijen verzonden op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.