RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59931
geboren op [geboortedatum],
van Somalische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
(gemachtigde: mr. I. van Es).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hett beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres ongelijk krijgt en ook geen vergoeding van haar proceskosten krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres vreest bij terugkeer naar Somalië te worden uitgehuwelijkt dan wel te worden vermoord door haar oom en te worden bloot gesteld aan herbesnijdenis. Eiseres haar oom wil haar uithuwelijken aan een oudere man. Eiseres wil dit niet. Eiseres haar moeder was het er ook niet mee eens. De oom van eiseres kwam langs bij het huis om haar op te halen. Toen ontstond er een handgemeen tussen de oom, eiseres haar moeder en haar broer. De oom van eiseres heeft haar moeder en broer daarbij vermoord. De oom van eiseres heeft eiseres vervolgens bedreigd en is gevlucht. Eiseres heeft verder verklaard dat zij is besneden, maar dat haar schaamlippen niet zijn weggehaald. Daardoor vreest ze te worden herbesneden bij terugkeer.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst deels geloofwaardig zijn. De minister heeft de geboortedatum van eiseres niet geloofwaardig geacht, daarbij heeft de minister overwogen dat in Griekenland een andere geboortedatum staat geregistreerd. De besnijdenis heeft de minister geloofwaardig geacht. De problemen vanwege uithuwelijking waarbij eiseres haar moeder en broer door haar oom zijn gedood heeft de minister niet geloofwaardig geacht. Eiseres heeft haar verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die het asielmotief volledig onderbouwen. De minister heeft vervolgens beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval nu niet wordt voldaan aan artikel 31, zesde lid onder c van de Vw. De minister acht de verklaringen van eiseres over de problemen die zij heeft ondervonden vanwege haar uithuwelijking en de dood van haar moeder en haar broer geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo verklaart eiseres wisselend en vaag over het contact met haar vader en zijn de verklaringen over de reden waarom haar oom in plaats van haar vader haar uithuwelijkt onsamenhangend.
Onzorgvuldig onderzoek
5. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is geweest van een onzorgvuldig onderzoek. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit artikel C1/2.11 van de Vc volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft indien de vreemdeling verzoekt door een vrouwelijke of mannelijke ambtenaar van de IND met behulp van een vrouwelijke of mannelijke tolk gehoord kan worden. Eiseres heeft op de vraag of er elementen zijn die ze liever niet in het bijzijn van een mannelijke of vrouwelijke medewerker en tolk naar voren brengt ‘nee’ geantwoord. Eiseres heeft haar antwoord in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor niet gewijzigd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister gehouden was in een vrouwelijke tolk te voorzien. Eiseres haar stelling dat zij zich belemmerd voelde om een vrouwelijke tolk te verzoeken, omdat er bij het aanmeldgehoor een mannelijke tolk werd gebruikt, is onvoldoende onderbouwd en volgt de rechtbank niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Leeftijdsregistratie
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de minderjarigheid van eiseres voldoende heeft ontzenuwd. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister navraag heeft gedaan naar de leeftijdsregistratie in Griekenland en dat daaruit is gebleken dat de leeftijd daar is geregistreerd op basis van eiseres haar eigen verklaringen. Eiseres heeft over deze registratie wisselend verklaard in Nederland. Zo heeft eiseres verklaard dat Griekenland de geboortedatum zelf heeft bepaald en haar er niet naar heeft gevraagd. Later verklaart eiseres dat ze haar eigen naam heeft opgegeven maar onwel was door de zeereis. En in het nader gehoor verklaart eiseres vervolgens dat de jongens met wie ze reisde een geboortedatum hebben opgegeven bij aankomst in Griekenland. Deze afwijkende verklaringen van eiseres doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van de door haar in Nederland opgegeven geboortedatum. Eiseres heeft verder verklaard dat haar naam in Griekenland wel juist is geregistreerd. Nu eiseres verder heeft verklaard dat zij bij haar inreis en registratie in Griekenland niet over enig document beschikte, kan uit de naamregistratie worden afgeleid dat er tussen haar en de Griekse autoriteiten in zekere mate communicatie over haar persoonsgegevens mogelijk is geweest. Er zijn dus geen aanknopingspunten dat de in Griekenland geregistreerde geboortedatum onjuist zou zijn.
Daarbij overweegt de rechtbank verder dat de minister in de door eiseres overgelegde geboorteakte geen aanknopingspunt heeft hoeven zien om niet van de registratie in Griekenland uit te kunnen gaan. De minister heeft er daarbij op kunnen wijzen dat uit het Algemeen Ambtsbericht Somalië volgt dat het verifiëren van identiteitsdocumenten onmogelijk is omdat er geen betrouwbare persoonsregistratie van overheidswege bestond. Bovendien heeft de minister erop kunnen wijzen dat documenten van de Somalische autoriteiten niet worden erkend door de Nederlandse overheid. De minister heeft ook in de door eiseres afgelegde verklaringen over de verkrijging van het geboortecertificaat, te weten via haar nicht die in Mogadishu woont, geen aanleiding hoeven zien om van de juistheid ervan uit te gaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres in het nader gehoor geen nadere informatie kan verschaffen over hoe haar nicht aan het geboortecertificaat is gekomen en welke documenten daarvoor nodig waren. De minister heeft gelet op het voorgaande geen waarde hoeven te hechten aan het door eiseres overgelegde geboortecertificaat. De rechtbank ziet in de verwijzing van eiseres naar een soortgelijke zaak in het hiervoor overwogene geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank is van oordeel dat ook het beroep dat eiseres doet op het arrest TQ gelet op het voorgaande niet slaagt.
Heeft de minister een goede geloofwaardigheidsbeoordeling verricht?
7. Met de publicatie van de WI 2024/6 heeft de minister een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling geïntroduceerd voor asielzaken. De oude WI 2014/10 is hiermee vervangen. De minister heeft deze nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling ook vastgesteld in beleid. In de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling worden drie stappen onderscheiden. In stap 1 gaat het om het verzamelen van informatie. De vreemdeling dient hierbij alle relevante elementen ter onderbouwing van zijn asielaanvraag in te dienen. Bij het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden bestaat er een samenwerkingsverplichting tussen de vreemdeling en de minister. De minister stelt in stap 1 uiteindelijk de asielmotieven vast. In stap 2 toetst de minister deze asielmotieven op geloofwaardigheid. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen stap 2a en stap 2b. In stap 2a beoordeelt de minister of een vreemdeling voldoende objectief bewijsmateriaal heeft overgelegd om het betreffende asielmotief aannemelijk te maken. Indien er niet is voldaan aan stap 2a gaat de minister over naar stap 2b. In die stap beoordeelt de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan de hand van een aantal voorwaarden.
Niet in geschil is dat eiseres geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar volledige asielaanvraag. De minister is dan ook terecht overgegaan tot het beoordelen van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Dat de minister daartoe overgaat is in lijn met artikel 5 van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, zesde lid van de Vw.
Heeft de minister asielmotief 2 ten onrechte niet geloofwaardig geacht?
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister asielmotief 2 niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de minister er terecht op heeft gewezen dat eiseres niet enkel ten overstaan van de AVIM wisselende verklaringen heeft overgelegd, maar ook in het Aanmeldgehoor wisselend en vaag verklaard over het contact met haar vader. Zo heeft eiseres verklaard dat ze haar vader het laatst heeft gezien toen ze klein was, maar ook dat ze hem naar schatting 6 jaar niet heeft gezien en in het aanmeldgehoor verklaart eiseres dat ze haar vader twee jaar niet heeft gezien. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister de verklaringen van eiseres over het contact met haar vader niet ten onrechte vaag en wisselend heeft geacht. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte geconcludeerd dat de verklaringen over de reden waarom haar oom in plaats van haar vader haar heeft uitgehuwelijkt onsamenhangend zijn. Daarbij heeft de minister er terecht op gewezen dat eiseres heeft verklaard dat in haar cultuur is bepaald dat de vader beslist aan wie eiseres zou worden uitgehuwelijkt. Ook heeft de minister daarbij kunnen betrekken dat eiseres heeft verklaard dat haar vader voor het gezin zou zorgen. De minister heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank ook niet ten onrechte geconcludeerd dat de uithuwelijking door eiseres haar oom ongeloofwaardig is.
Eiseres haar stelling dat de minister de verklaringen van het AVIM-gehoor niet mocht betrekken bij de beoordeling van het asielrelaas maakt het oordeel gelet op het voorgaande niet anders. Zoals de minister terecht heeft gesteld kan de conclusie immers ook worden getrokken zonder de verklaringen van het AVIM-gehoor daarbij te betrekken. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de minister niet heeft gereageerd op het standpunt over het onsamenhangend verklaren over de reden waarom haar oom in plaats van haar vader haar heeft uitgehuwelijkt. Eiseres heeft namelijk zelf verklaard dat haar vader nog voor het gezin zorgde en dat in haar cultuur is bepaald dat de vader beslissingen maakt over een uithuwelijking. De rechtbank volgt eiseres ook niet in de stelling dat vrees voor uithuwelijking een los asielmotief is en dat dit door de minister onvoldoende is beoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Herbesnijdenis
9. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze een reëel risico loopt op herbesnijdenis. Eiseres heeft gesteld dat zij dat risico bij terugkeer loopt, alleen al omdat zij gedurende enkele jaren heeft geleefd zonder mannelijke begeleiding en daaruit het vermoeden kan ontstaan dat zij seksuele gemeenschap heeft gehad. Deze stelling is onvoldoende onderbouwd door eiseres. Alhoewel uit het EUAA-rapport volgt dat er in sommige situaties sprake kan zijn van herbesnijdenis, valt de door eiseres geschetste situatie hier niet onder. De minister heeft er dus op kunnen wijzen dat zich in het geval van eiseres geen situatie voordoet zoals volgt uit het EUAA-rapport van oktober 2025. De beroepsgrond slaagt niet.
Reëel risico op ernstige schade
10. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Eiseres heeft haar stelling dat uit recente landeninformatie blijkt dat in haar woongebied sprake is van een verhoogde mate van willekeurig geweld onvoldoende onderbouwd. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat het EUAA-rapport en de door eiseres overgelegde informatie geen wezenlijk ander beeld schetsen dan het AAB Somalië en dat in wat eiseres aanvoert geen omstandigheid is gelegen die noopt tot een andere conclusie omtrent het niveau van geweld. De rechtbank overweegt verder dat de minister heeft kunnen betrekken dat eiseres familie heeft in Somalië en geen alleenstaande vrouw is. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij vanwege individuele factoren een verhoogd risico loopt op ernstige schade en niet kan terugkeren. De rechtbank volstaat ten aanzien van het standpunt van eiseres dat zij bij terugkeer zal worden uitgehuwelijkt en risico loopt op herbesnijdenis bij wat zij onder de geloofwaardigheidsbeoordeling en de herbesnijdenis heeft besproken. De stelling van eiseres dat de situatie in Somalië verslechtert maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat zij daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat zij op grond van individuele omstandigheden bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade.
Artikel 8 EVRM
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen schending is van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt dat eiseres haar stelling, dat zij privéleven in Nederland heeft opgebouwd, onvoldoende heeft onderbouwd. Ook de stelling dat eiseres in Nederland toegang heeft tot medische zorg en als de behandeling wordt stopgezet dit haar raakt in haar lichamelijke en psychische integriteit, is onvoldoende onderbouwd. Dat eiseres in Nederland toegang heeft tot onderwijs en haar eigen huwelijkspartner kan uitkiezen heeft de minister onvoldoende zwaarwegend mogen achten. Hetzelfde geldt voor de verder door eiseres naar voren gebrachte belangen, te weten dat zij in Nederland niet wordt vernederd of uitgescholden en zich hier vrij en veilig kan bewegen. De rechtbank volgt eiseres niet in de stelling dat de minister niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht van artikel 3:46 van de Awb. Alhoewel er in het bestreden besluit weinig woorden zijn besteed aan de afweging, is de rechtbank van oordeel dat daaruit wel voldoende blijkt dat de minister de relevante belangen heeft meegewogen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.