ECLI:NL:RBDHA:2026:8626

ECLI:NL:RBDHA:2026:8626

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 10-04-2026
Zaaknummer NL25.42114
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Derdelander Oekraïne terugkeerbesluit. Geen rechtmatig verblijf. (-) valt niet onder de werkingssfeer van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Beroep op 8 EVRM slaagt niet. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.42114

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),

en

(gemachtigde: mr. D. Halbesma).

1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een terugkeerbesluit aan een zogeheten derdelander uit Oekraïne, die facultatieve tijdelijke bescherming had op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (de Richtlijn).

De rechtbank oordeelt dat de minister aan eiser een terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Bij het bestreden besluit van 6 augustus 2025 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.

Namens eiser is door twee advocaten beroep ingesteld en is de voorzieningenrechter tweemaal verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De eerder ingediende zaken zijn overgenomen door de gemachtigde van eiser.

De rechtbank heeft de beroepen op 3 april 2026 op zitting behandeld, samen met de verzoeken. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Op zitting heeft eiser het later ingediende beroep en verzoek ingetrokken.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht

3. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht, omdat hij geen inkomen of vermogen heeft. De rechtbank ziet aanleiding om vrijstelling van het griffierecht toe te kennen.

Waar gaat deze zaak over?

4. Eiser is geboren op [datum] en is van Turkse nationaliteit. Hij had een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne toen de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie in Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit. In dit verband heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld bij besluit van 17 augustus 2023. Niet gebleken is dat eiser hiertegen een rechtsmiddel heeft aangewend. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dit besluit in rechte vast staat.

Bij een tweede besluit van 17 augustus 2023 heeft de minister eiser bericht dat zijn facultatieve tijdelijke bescherming eindigt per 4 september 2023. Ook is aan hem een terugkeerbesluit opgelegd. Bij brief van 24 januari 2024 heeft de minister dit besluit ingetrokken en is eiser medegedeeld dat hij facultatieve tijdelijke bescherming krijgt tot 4 maart 2024 en dat een nieuw terugkeerbesluit zal volgen. Bij besluit van 7 februari 2024 is een nieuw terugkeerbesluit aan eiser opgelegd. De minister heeft vervolgens besloten om de gevolgen van deze besluitvorming te bevriezen, naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Afdeling. De minister heeft eiser bij brief van 1 mei 2024 bericht over deze bevriezingsmaatregel, waarbij is aangegeven dat eiser tijdelijk langer mag blijven en gebruik mag blijven maken van de rechten die hij onder de Richtlijn had. Nadien is het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 vernietigd, omdat dit prematuur was opgelegd.

Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft herhaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming van eiser per 4 maart 2024 is geëindigd en aangegeven dat de tijdelijke bevriezingsmaatregel op 4 september 2025 stopt. Eiser mag vanaf deze datum niet meer werken en heeft vier weken de tijd om te vertrekken uit Nederland.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank zal hierna ingaan op de beroepsgronden van eiser.

Betrekt de rechtbank de gronden van beide beroepen?

5. Eiser heeft op 30 maart 2026 verzocht om gevoegde behandeling van zijn beroepen en verzoeken om een voorlopige voorziening. Ook heeft hij verzocht om zijn beroepsgronden van het latere beroep te betrekken in het onderhavige beroep. De minister heeft zich op zitting op het standpunt gesteld dat eiser dit verzoek te laat heeft gedaan en dat de gronden van het latere beroep niet in deze procedure betrokken kunnen worden.

De rechtbank ziet in wat de minister op zitting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het betrekken van de gronden uit het latere beroep in deze procedure, in strijd is met de goede procesorde. Daartoe overweegt zij dat haar niet gebleken is dat de minister zich niet goed heeft kunnen voorbereiden op de beroepsgronden van het latere beroep. Deze gronden zijn ingediend op 27 oktober 2025 en de minister heeft op zitting inhoudelijk verweer kunnen voeren. Ook heeft de minister aangegeven dat de zaak al inhoudelijk was voorbereid. Bovendien heeft voor een gevoegde behandeling van de zaken telefonisch overleg plaatsgevonden met de gemachtigde van de minister en is aangeboden de inhoudelijke behandeling twee weken te verdagen. Bij brieven van 30 maart 2026 heeft de minister aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen een gevoegde behandeling en dat verdaging niet nodig was. De rechtbank betrekt daarom de beroepsgronden van het later ingediende beroep in het onderhavige beroep van eiser.

Is sprake van een besluit?

6. Eiser voert aan dat er geen sprake is van een besluit, omdat de brief van 6 augustus 2025 geen rechtsmiddelenclausule bevat. Daarnaast betoogt eiser dat een brief van 15 juli 2025 wel op rechtsgevolg is gericht en een besluit betreft als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Ook betoogt eiser dat het eerdere terugkeerbesluit niet genomen mocht worden, dan wel is ingetrokken.

Deze gronden slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van 6 augustus 2025 een besluit betreft als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, omdat dit op rechtsgevolg gericht is. Aan eiser is hiermee immers een terugkeerverplichting opgelegd. De twee eerdere terugkeerbesluiten waren ingetrokken en vernietigd. Anders dan eiser stelt, bevat het besluit op pagina 7 een rechtsmiddelenclausule. De rechtbank stelt verder vast dat het dossier van eiser geen brief van 15 juli 2025 bevat.

Is de facultatieve tijdelijke bescherming van eiser geëindigd?

7. Eiser heeft aangevoerd dat ten onrechte geen nieuw besluit is genomen over de beëindiging van zijn tijdelijk bescherming na de uitspraak van de Afdeling. Het eerdere besluit in dit verband is onrechtmatig geacht. Volgens eiser mag zijn tijdelijke bescherming niet beëindigd worden en was de minister op grond van artikel 28, vijfde lid van de VEU gehouden tot coördinatie met de Raad van de Europese Unie (de Raad), voordat hij zelfstandig kon overgaan tot beëindiging. Ook is de beëindiging van de tijdelijke bescherming volgens eiser in strijd met het nuttig effect van de Richtlijn en de algemene rechtsbeginselen van rechtszekerheid, vertrouwen en evenredigheid. De minister heeft nagelaten om in dit verband een belangenafweging te maken. Ter onderbouwing wijst eiser op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 20 maart 2024.

De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie in het arrest Kaduna en Abkez heeft geoordeeld dat het Unierecht de lidstaten toestaan om de facultatieve tijdelijke bescherming eerder in te trekken dan de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft dit arrest in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd en bevestigd dat de facultatieve tijdelijke bescherming voor derdelanders van rechtswege op 4 maart 2024 is geëindigd, omdat de minister deze eerder heeft ingetrokken. Daarbij is reeds geoordeeld dat de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming niet in strijd is met de algemene rechtsbeginselen en het nuttig effect van de Richtlijn. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen aanleiding om van deze jurisprudentie van de Afdeling af te wijken. Eisers verwijzing naar een rechtbankuitspraak die dateert van voor de Afdelingsuitspraak, treft geen doel. Dit alles betekent dat in het geval van eiser niet opnieuw een besluit over de facultatieve tijdelijke bescherming genomen hoefde te worden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Valt eiser onder de (verplichte) tijdelijke bescherming?

8. Eiser heeft betoogd dat hij onder de werkingssfeer van de Richtlijn valt. Daartoe is gesteld dat in de Europese Unie sprake is van rechtsongelijkheid, omdat in de Hongaarse taalversie van het Uitvoeringsbesluit geen permanente Oekraïense verblijfsvergunning wordt vereist. Bij aanvullende gronden heeft eiser de rechtbank verzocht om in dit verband prejudiciële vragen te stellen. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat hij als gezinslid onder de Richtlijn valt, omdat hij met een Oekraïner gehuwd is. Ter onderbouwing is een uittreksel van de burgerlijke stand overgelegd.

De rechtbank stelt vast dat eiser op 15 februari 2024 in Nederland is gehuwd met een Oekraïense onderdaan. Daaruit volgt derhalve dat hij niet ten tijde van de ontheemding uit Oekraïne al een gezinslid was van een Oekraïense onderdaan. Hij heeft daarom niet aangetoond dat hij als gezinslid onder de toepassing van de Richtlijn valt. De rechtbank overweegt verder dat uit het Kaduna en Abkez arrest reeds uitdrukkelijk het onderscheid volgt tussen het tweede en derde lid van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit: een permanente verblijfsvergunning. De rechtbank ziet in de overgelegde taalversies en de gestelde inconsistentie geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. Gesteld, noch gebleken is dat eiser over een permanente Oekraïense verblijfsvergunning beschikt. Hij valt daarom niet onder artikel 2, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. De beroepsgrond faalt.

Heeft eiser rechtmatig verblijf?

9 Eiser heeft aangevoerd dat hij rechtmatig verblijf heeft en dat dit is verleend onder de bevriezingsmaatregel. Ook beschikt hij nog over een geldige arbeidsaantekening die niet is ingetrokken. Ter onderbouwing wijst eiser op artikel 3.1a van het Vb, artikel 6.5 en 7.1 van de BuWAV en artikel 8 van het Vw. Nu hij rechtmatig verblijf heeft, is het opgelegde terugkeerbesluit onrechtmatig.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is niet gebleken dat eiser rechtmatig verblijf heeft. Eiser had rechtmatig verblijf hangende zijn asielaanvraag. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld bij besluit van 17 augustus 2023, omdat eiser niet heeft aangegeven te vrezen in Turkije. De facultatieve tijdelijk bescherming is geëindigd op 4 maart 2024. Eiser is nadien bij herhaaldelijke brieven geïnformeerd dat hij tijdelijk langer mag blijven wonen en werken, omdat de gevolgen van het stopzetten van de tijdelijke bescherming zijn bevroren. Ook is aangekondigd dat een nieuw terugkeerbesluit zal worden opgelegd. Anders dan eiser, is de rechtbank van oordeel dat daarmee enkel sprake is van opschorting van verwijdering en niet van een vorm van legaal verblijf als bedoeld in artikel 6, vierde lid van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank volgt eiser niet in zijn nadere stellingen over de buWAV. Hierin is namelijk enkel geregeld dat het verbod om een derdelander te laten werken, als bedoeld in artikel 2 van de WAV, niet geldt voor begunstigden onder de Richtlijn. Hieruit volgt niet dat eiser rechtmatig verblijf heeft vanwege een arbeidsaantekening. Onder de bevriezingsmaatregel werd eiser alleen behandeld alsof hij begunstigde van de Richtlijn was. Dat de arbeidsaantekening volgens eiser niet is ingetrokken, laat het voorgaande onverlet.

Is het terugkeerbesluit in strijd met artikel 3 van het EVRM?

10. Namens eiser is verder gesteld dat de minister niet heeft beoordeeld of terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

Deze beroepsgrond faalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit wel beoordeeld, nu uit het bestreden besluit blijkt dat de minister zich, en naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte, op het standpunt stelt dat geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft dit standpunt in beroep niet betwist. Uit het dossier blijkt de rechtbank evenmin dat eiser heeft gesteld te vrezen in Turkije.

Is het terugkeerbesluit in strijd met artikel 8 van het EVRM en had de minister eiser moeten horen?

11. Eiser heeft tot slot betoogd dat de minister ten onrechte geen rechtmatig verblijf heeft toegekend op grond van artikel 8 van het EVRM. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn verplicht lidstaten bij de uitvoering van deze richtlijn uitdrukkelijk rekening te houden met het familieleven. Eiser is in Nederland gehuwd met een burger van Oekraïne, die in Nederland mag verblijven. Beoordeling van het verblijfsrecht mag volgens eiser niet afhankelijk worden gesteld van een afzonderlijke procedure met kosten. Ter onderbouwing is gewezen op het CIF-arrest. Volgens eiser had de minister hem daarom moeten horen. Ook heeft de minister ten onrechte geen belangenafweging gemaakt, waarin de minister had moeten betrekken dat er een partneraanvraag loopt en een (mogelijke) procedure in Frankrijk. Het verlies van werk, verblijf en bestaanszekerheid is volgens eiser onevenredig. Nu hiermee in andere lidstaten wel rekening gehouden wordt, is sprake van een ongerechtvaardigd verschil in behandeling.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat eiser, indien hij meent een verblijfsrecht te ontlenen aan het recht op familie- of gezinsleven, een daartoe strekkende aanvraag kan indienen. De minister heeft zich daarbij, onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie en de Afdeling, op het standpunt mogen stellen dat eiser door middel van de zienswijze in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt over het terugkeerbesluit kenbaar te maken en dat daarom van het horen mocht worden afgezien. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Met het bestreden besluit is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, conform de Terugkeerrichtlijn. Deze richtlijn ziet niet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toestemming van verblijf en aan deze richtlijn kan geen verblijfsrecht worden ontleend. Uit deze richtlijn vloeit dan ook geen verplichting voor de minister voort om uit eigen beweging na te gaan of het verblijf van een derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of een andere toestemming voor verblijf te geven. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat in deze zaak geen plaats was voor een individuele belangenafweging, omdat enkel vastgesteld is dat de facultatieve tijdelijke bescherming is geëindigd en dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. De minister dient bij de oplegging van een terugkeerbesluit wel rekening te houden met de relevante aspecten van het familie‑ en gezinsleven.In dat verband heeft de minister zich echter terecht op het standpunt gesteld dat eiser in de onderhavige procedure pas in beroep heeft aangegeven dat hij is gehuwd met een Oekraïense die rechtmatig in Nederland verblijft. Eiser heeft dit niet naar voren gebracht in zijn zienswijze of aanvullende zienswijze. Dat komt voor zijn rekening en risico. De minister had bij het bestreden besluit daarom geen relevante aspecten van familieleven om rekening mee te houden. De overige stellingen van eiser kunnen evenmin slagen. Eiser heeft niet nader toegelicht welke procedure mogelijk in Frankrijk loopt, of wanneer hij een partneraanvraag heeft ingediend. Ook heeft hij niet onderbouwd dat sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Tot slot ziet het CIF-arrest op mededingingsverstorende nationale wetgeving en heeft eiser de relevantie hiervan voor de beoordeling van de onderhavige zaak niet aannemelijk gemaakt. Het betoog slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit mogen opleggen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt en openbaar gemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?