uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L. Drenthe).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres. Eiseres heeft op 27 augustus 2025 opnieuw verzocht om tijdelijke bescherming onder de Richtlijn tijdelijke bescherming. De minister heeft dit verzoek bij het primaire besluit van 27 augustus 2025 afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij het bestreden besluit van 24 oktober 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en haar tijdelijke bescherming verleend. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening is aangemerkt als samenhangend met het beroep.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
2. Het geschil beperkt zich tot de proceskostenvergoeding in bezwaar. Vast staat dat eiseres belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, omdat het primaire besluit is herroepen en haar verzoek tot vergoeding van de bezwaarkosten is afgewezen.
3. Eiseres heeft betoogd dat de minister haar de mogelijkheid heeft ontnomen om de relevante bewijsstukken te overleggen in de aanvraagfase. Eiseres heeft daardoor een periode in onzekerheid verkeerd. In dit verband heeft eiseres gesteld dat een afspraak bij de gemeente van 9 september 2025 eenzijdig en zonder toelichting is geannuleerd. Volgens eiseres heeft dit onrechtmatig handelen geleid tot herroeping van het primaire besluit en de door haar gemaakte kosten in bezwaar. Op zitting is aanvullend gesteld dat indien de kosten niet worden vergoed zij deze aan haar gemachtigde zal moeten betalen.
4. Naar het oordeel van de rechtbank kan het betoog van eiseres niet slagen. De minister heeft terecht gesteld dat eiseres eerst in bezwaar bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij op het peilmoment in Oekraïne verbleef. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres dit al eerder met bewijsstukken heeft aangetoond of dat de minister haar die mogelijkheid heeft ontnomen. Eiseres heeft zich tweemaal bij de gemeente gemeld met een recent afgegeven paspoort, zonder reisstempels: op 6 juni en 27 augustus 2025. Op dat moment bestond de gelegenheid voor eiseres om (andere) bewijsstukken te overleggen. Nergens uit blijkt dat eiseres dat heeft gedaan. Het eerdere verzoek van eiseres van 6 juni 2025 is buiten behandeling gesteld bij besluit van 14 augustus 2025. Niet gebleken is dat eiseres hiertegen een rechtsmiddel heeft ingediend. De minister heeft op zitting terecht gesteld dat in het voornemen van 10 juli 2025 in die procedure is aangegeven, dat eiseres zich kan melden met stukken die bewijzen wanneer zij is vertrokken uit Oekraïne. Echter, pas in de bezwaarfase heeft eiseres hiervan bewijs overgelegd. De stelling dat een gemeenteafspraak op 9 september 2025 is geannuleerd doet niet af aan het voorgaande, omdat deze afspraak pas zou plaatsvinden in de bezwaarfase. Bovendien is de afspraak volgens een klantcontactnotitie na telefonisch contact met eiseres geannuleerd.
5. Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht gesteld dat het primaire besluit niet is herroepen vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid.De minister heeft het verzoek om vergoeding van proceskosten in bezwaar dan ook op goede gronden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten in deze beroepsprocedure.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.