ECLI:NL:RBDHA:2026:8631

ECLI:NL:RBDHA:2026:8631

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 10-04-2026
Zaaknummer NL25.44971 en NL25.44972
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Asiel Irak. Jezidi's. Ontheemdenkampen KAR. Beroepen gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiser 1,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.44971 en NL25.44972

V-nummer: [nummer 1],

[naam 2] , eiser 2,

V-nummer: [nummer 2],

beiden van Iraakse nationaliteit

(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),

en

(gemachtigde: mr. D. Halbesma).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep.

De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvragen geen stand houdt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben beiden op 6 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 15 september 2025 in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eisers een terugkeerbesluit opgelegd en hen meegedeeld dat zij binnen vier weken moeten terugkeren naar Irak.

Eisers hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroepen gevoegd op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eisers zijn broers en zijn geboren op [datum 1] en op [datum 2]. Zij hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij in Irak problemen hebben vanwege hun jezidi achtergrond. Eisers zijn in 2014 naar de Koerdische Autonome Regio (KAR) gevlucht en verbleven daar in het ontheemdenkamp Agri en later Kabarto. Eiser 1 heeft verklaard dat hij geweigerd werd om toegelaten te worden op de middelbare school, dat zijn broertje en zus gekleineerd werden op school en dat het moeilijk was om aan werk te komen. Eiser 2 heeft verklaard dat hij uit Irak is vertrokken met zijn broer, omdat zij vanwege hun achtergrond niet meer konden leven tussen de moslims. Daarnaast is het volgens eisers onveilig in de regio Sinjar, waar zij vandaan komen.

De besluitvorming

4. De minister heeft de volgende asielmotieven aangemerkt:

De minister heeft het eerste motief geloofwaardig geacht, maar niet zwaarwegend. De minister heeft de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief in het midden gelaten, maar acht de problemen en discriminatie onvoldoende zwaarwegend. Volgens de minister hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer dusdanig gediscrimineerd worden dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. De minister heeft betrokken dat aan eisers in Griekenland een vluchtelingenstatus is verleend, maar acht dit onvoldoende in zijn eigen beoordeling. De minister heeft het tentenkamp Kabarto aangemerkt als normale woon- of verblijfplaats. Volgens de minister kunnen eisers terugkeren naar dit tentenkamp en lopen zij daar geen reëel risico op ernstige schade. Uit landeninformatie volgt dat in het tentenkamp (beperkte) voorzieningen aanwezig zijn. Ook blijkt uit landeninformatie dat de Iraakse autoriteiten zich inspannen om jezidi’s te laten terugkeren naar hun oorspronkelijke leefgebied. De familie van eisers hebben dit ook gedaan. Verder zijn er initiatieven van de autoriteiten om IS-slachtoffers te compenseren met financiële steun, grond en toegang tot (geestelijke) gezondheidszorg. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze initiatieven niet voor hen beschikbaar zijn. Ook hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk te vrezen hebben om gerekruteerd te worden door milities. Volgens de minister is het daarom niet aannemelijk dat eisers een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade. De minister heeft dan ook geconcludeerd tot afwijzing van de asielaanvragen.

Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er voor eiser 2 adequate opvang is in Irak. De ouders van eisers verblijven in het dorp Siba Shaik Khadir, in de regio Sinjar en er is contact met hen. Er is niet gebleken dat zij niet voor eiser 2 kunnen zorgen of dat hij bij terugkeer een risico loopt op mensenrechtenschendingen. De woonsituatie in Irak is lastig, maar de situatie is niet zodanig dat er niet gesproken kan worden van adequate opvang. Volgens de minister kunnen de ouders zich bij eiser 2 voegen, of kan eiser 1 voor hem zorgen met hulp van zijn ouders op afstand. De minister heeft gesteld dat volgens zijn beleid ook geldt dat er in Irak van overheidswege adequate opvang aanwezig is voor alleenstaande minderjarigen. De minister heeft daarom geen verblijfvergunning regulier verleend op grond van het buitenschuldbeleid.

Eisers kunnen zich hier niet mee verenigen. De rechtbank gaat hierna in op hun beroepsgronden.

Mocht de minister het ontheemdenkamp aanmerken als normale woon- of verblijfplaats?

5. Eisers hebben aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat zij kunnen terugkeren naar het ontheemdendenkamp in de KAR. Volgens eisers zijn er daar geen toereikende basisvoorzieningen en kunnen zij daar niet op een normaal niveau functioneren. Eisers hebben verklaard dat zij vanwege discriminatie in het verleden niet naar school konden en dat eiser 1 er geen werk kon krijgen. Ook is er geen normale huisvesting. Dit leidt volgens eisers tot een ernstige beperking van hun bestaansmogelijkheden. De minister heeft dit ten onrechte onvoldoende zwaarwegend geacht voor het toekennen van een asielstatus. Ter onderbouwing is landeninformatie overgelegd, samengesteld door Vluchtelingenwerk (VWN) op 3 januari 2025. Ook is gewezen op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 maart 2026.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het ontheemdenkamp in de KAR kan worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar regio. De rechtbank verwijst ter onderbouwing van haar oordeel naar haar uitspraken van onder meer 27 februari 2025, 8 juli 2025, 18 augustus 2025 en 24 november 2025 en maakt de rechtsoverwegingen 11.2 tot en met 11.7 in de uitspraak van 24 november 2025 in deze uitspraak tot de hare.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn al om het voorgaande gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. De minister heeft de asielaanvragen ten onrechte afgewezen. Al om deze reden heeft de minister aan eisers geen terugkeerbesluiten mogen opleggen. De beroepsgronden over de beoordeling van de zwaarwegendheid van de discriminatie, de situatie in Sinjar en het bestaan van adequate opvang, laat de rechtbank onbesproken. De minister heeft de asielaanvragen namelijk beoordeeld op grond van de situatie voor jezidi’s in de KAR, maar heeft onvoldoende gemotiveerd dat van eisers verlangd kan worden om hiernaar terug te keren.

7. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank zal de minister opdragen om binnen zes weken opnieuw op de asielaanvragen van eisers te beslissen. Hierbij dient de minister rekening te houden met wat in deze uitspraak is overwogen.

8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand in samenhangende zaken vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?