RECHTBANK DEN HAAG
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.53429 (beroep) en NL25.53430 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], geboren op [geboortedag] 2020, van Malawische nationaliteit,
eiser en verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter in deze uitspraak eisers verzoek om
een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en dat de afwijzing van de asielaanvraag daarom in stand kan blijven. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hieronder legt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) uit hoe zij tot deze oordelen komt.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat eisers asielrelaas. Onder 4 staat het besluit waartegen het beroep is gericht. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het besluit van 30 oktober 2025
(het bestreden besluit) deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Najjar als tolk in de taal Engels en de gemachtigde van de minister.
Een week vóór de zitting heeft eiser verzocht om aanhouding van de inhoudelijke behandeling van zijn beroep. De minister heeft zich in reactie op dit verzoek op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestaat om de zaak aan te houden. De rechtbank heeft de inhoudelijke behandeling op zitting doorgang laten vinden, het aanhoudingsverzoek tijdens de zitting met partijen besproken en aan partijen medegedeeld dat zij na de zitting een beslissing zal nemen op het aanhoudingsverzoek.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is 25 jaar en komt uit Malawi. Sinds november 2024 is hij lid van de [organisatie] (hierna: [organisatie]). Hij heeft op 26 december 2024 en op 6 januari 2025 tijdens evenementen van de [organisatie] gesproken. Tijdens het evenement op 6 januari 2025 werd hij aangevallen. Van deze aanval is aangifte gedaan bij de politie. Ook moest eiser naar het ziekenhuis voor behandeling van zijn letsel. Na zijn ontslag uit het ziekenhuis heeft hij per e-mail doodsbedreigingen ontvangen en is er een groep mannen aan zijn deur gekomen om hem te ontvoeren. Eiser kon ontsnappen en is kort daarna naar Nederland gereisd. Eiser stelt dat hij wordt gezocht door de autoriteiten in Malawi en dat hij bij terugkeer levensgevaar loopt. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielrelaas de volgende documenten overgelegd:
- zijn paspoort met reisstempels;
- het politierapport van de aangifte;
- het rapport van het ziekenhuis;
- foto's van verwondingen;
- een schermafbeelding van zijn digitale [organisatie]-lidmaatschapskaart;
- een schermafbeelding van een Whatsappgroep.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante motieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.
2. Problemen vanwege politieke activiteiten.
De minister heeft het eerste asielmotief geloofwaardig bevonden. De minister heeft het tweede asielmotief niet geloofwaardig bevonden. De minister acht het geloofwaardig dat eiser lid is van de [organisatie], maar acht het niet geloofwaardig dat eiser door zijn lidmaatschap problemen heeft ondervonden. Eiser heeft namelijk geen oprechte inspanningen geleverd om de doodsbedreigingen te overleggen die hij per e-mail zou hebben ontvangen. Eisers verklaringen over zijn aanwezigheid op de [organisatie]-evenementen komen daarnaast niet
overeen met de reisstempels in zijn paspoort. Ook komen eisers verklaringen niet overeen met de rapporten van de politie en het ziekenhuis die hij heeft overgelegd. Daarnaast heeft eiser summier verklaard over zijn ontsnapping van de groep mannen die aan zijn deur kwam. Verder heeft de minister het ongeloofwaardig geacht dat eiser gezocht zou worden door de autoriteiten, aangezien hij legaal en probleemloos Malawi uit heeft kunnen reizen. Omdat eiser volgens de minister kennelijk inconsequent, tegenstrijdig en vals heeft verklaard, heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft daarbij een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd en aan hem een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.
Moet de inhoudelijke behandeling van het beroep worden aangehouden?
5. Eiser voert aan dat de behandeling van zijn beroep moet worden aangehouden. Volgens eiser is er een aannemelijke kans dat gebruik is gemaakt van Casematcher, een zoekalgoritme dat medewerkers van de minister gebruiken om met een aanvraag vergelijkbare relevante zaken te vinden en om zo te zien hoe zij die aanvraag kunnen afdoen. Volgens eiser is Casematcher een AI-algoritme dat op niet-controleerbare wijze zelf bepaalt welke zaken vergelijkbaar en relevant zijn, waardoor een medewerker ‘geprimed’ kan raken en al bestaande biases in de hand gewerkt worden. In een beroep dat nog loopt bij deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, zijn vragen gesteld aan de minister over Casematcher. Volgens eiser moet zijn beroep worden aangehouden in afwachting van de antwoorden op deze vragen.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting de minister schriftelijk verzocht om bij de medewerkers, die bij de beoordeling van eisers aanvraag betrokken zijn geweest, na te gaan of zij gebruik hebben gemaakt van Casematcher. De gemachtigde van de minister heeft in een eveneens schriftelijke reactie laten weten dat geen van medewerkers, die betrokken zijn geweest bij de beoordeling van eisers aanvraag, gebruik heeft gemaakt van Casematcher. De gemachtigde van de minister heeft hiertoe ook schriftelijke verklaringen van de desbetreffende medewerkers overgelegd. De gemachtigde van de minister heeft zich op het standpunt gesteld dat er, gelet op deze verklaringen, geen aanleiding bestaat om de behandeling van eisers beroep aan te houden.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van eisers beroep aan te houden in afwachting van de zaak die loopt bij zittingsplaats Groningen. Uit de verklaringen van de medewerkers van de minister blijkt afdoende dat geen gebruik is gemaakt van Casematcher. De rechtbank volgt de gemachtigde van eiser niet in haar stelling, dat de minister geen antwoord heeft gegeven op de vraag hoeveel medewerkers in totaal betrokken zijn geweest bij de beoordeling van eisers aanvraag. Uit de schriftelijke reactie van de gemachtigde van de minister volgt duidelijk dat er twee medewerkers betrokken zijn geweest bij deze beoordeling. De stelling van de gemachtigde van eiser dat er mogelijk nog meer medewerkers betrokken zijn geweest en dat dit niet gelogd is in het systeem, legt de rechtbank terzijde. Deze stelling is gebaseerd op aannames. De gemachtigde van de minister heeft een onderbouwd ontkennend antwoord gegeven op de vraag of gebruik is gemaakt van Casematcher bij de beoordeling van eisers zaak. De rechtbank ziet geen reden om aan dit antwoord te twijfelen.
Nu er geen aanleiding bestaat de behandeling van eisers beroep aan te houden, zal de rechtbank hieronder ingaan op de inhoudelijke gronden.
Is de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?
6. Eiser voert aan dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister in strijd is met het Unierecht. Onder de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling wordt namelijk, bij gebrek aan objectieve en authentieke documenten die het asielrelaas onderbouwen, een asielrelaas getoetst aan vijf cumulatieve voorwaarden. Zodra aan één van deze voorwaarden niet wordt voldaan, wordt het asielrelaas beoordeeld als niet geloofwaardig. Dit terwijl op grond van het Unierecht altijd een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet plaatsvinden waarbij alle documenten, dus ook niet-objectieve en niet-authentieke documenten, in samenhang met de verklaringen van de vreemdeling moeten worden beoordeeld. Eiser wijst op de prejudiciële vragen die aan het Hof1 zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, op 7 januari 20252. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat specifiek in zijn geval ook geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling is uitgevoerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling per definitie in strijd is met het Unierecht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 november 20253, waarin zij al eerder tot dit oordeel kwam. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting ook toegelicht dat de vijf voorwaarden niet zo streng worden gehanteerd als eiser stelt en dat er nog altijd een integrale eindbeoordeling wordt gemaakt. Ook in het specifieke geval van eiser is in het bestreden besluit een integrale eindbeoordeling gemaakt en zijn alle door hem overgelegde stukken betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het bestreden besluit ondertekend?
7. Eiser voert aan dat het bestreden besluit niet is ondertekend. Daardoor is niet duidelijk welke beslismedeweker verantwoordelijkheid draagt voor het bestreden besluit. Er staat wel een naam onder het bestreden besluit, maar het is niet duidelijk of deze persoon het bestreden besluit ook heeft genomen. De naam kan net zo goed betrekking hebben op degene die het bestreden besluit heeft verzonden. Hierdoor kan eiser niet nagaan of het bestreden besluit wel door een bevoegd persoon is genomen.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit inderdaad geen handtekening bevat. Onderaan het bestreden besluit staat: ‘Deze brief is automatisch verstuurd, daarom staat er geen handtekening onder.’ De rechtbank merkt echter ook op dat de Algemene wet bestuursrecht niet in algemene zin voorschrijft dat besluiten moeten worden ondertekend om rechtskracht te krijgen. In een bijzondere wet kan wel zijn bepaald dat een besluit moet zijn ondertekend om rechtsgeldig te zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een maatregel van bewaring. In geval van een besluit op grond van artikel 30b van de Vreemdelingenwet 2000, zoals hier aan de orde, is deze eis niet gesteld. Daar komt bij dat het voor eiser mogelijk is om te controleren of het besluit door een bevoegde persoon is genomen. Onderaan het besluit staat namelijk de naam van de beslismedewerker die het besluit genomen heeft. Uit het colofon van het bestreden besluit volgt dat deze persoon werkzaam is bij de Directie
1. Hof van Justitie van de Europese Unie.
2 ECLI:NL:RBDHA:2025:136.
3 ECLI:NL:RBDHA:2025:27281, onder 7.1.
Asiel & Bescherming, A&B Schiphol. Ook zonder handtekening is daarom voldoende kenbaar en toetsbaar voor eiser wie het bestreden besluit heeft genomen. Dat de naam onderaan het bestreden besluit zou kunnen zien op de persoon die het bestreden besluit enkel heeft verzonden, volgt de rechtbank niet, ook nu deze naam door de gemachtigde van de minister is genoemd als één van de twee betrokken beslismedewerkers. Deze grond slaagt niet.
Is het inreisverbod onevenredig?
8. Eiser voert aan dat hij onevenredig hard wordt getroffen door het inreisverbod. Er had volgens hem moeten worden volstaan met een terugkeerbesluit.
Eiser heeft niet onderbouwd waarom hij onevenredig hard wordt getroffen door het inreisverbod. De rechtbank volgt hem daarom niet in zijn stelling dat had moeten worden volstaan met een terugkeerbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister het asielrelaas ongeloofwaardig mogen achten?
9. Eiser voert aan dat de minister zijn asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Eiser heeft wel oprechte inspanningen geleverd om de per e-mail ontvangen doodsbedreigingen te overleggen. Hij heeft geprobeerd deze e-mails terug te halen, maar hij kan niet meer op zijn e-mailaccount inloggen omdat hij zijn wachtwoord is vergeten. Eiser wijst op de schermafbeelding die hij in beroep heeft overgelegd.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij oprechte inspanningen heeft geleverd om de e-mails met doodsbedreigingen te overleggen. Dit volgt ook niet uit de schermafbeelding die hij heeft overgelegd. Hierop is slechts een inlogscherm te zien met de tekst ‘Wrong password. Try again or click Forgot password to reset it.’ Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in hoe deze schermafbeelding tot het oordeel moet leiden dat eiser oprechte inspanningen heeft geleverd om weer toegang tot zijn e-mailaccount en daarmee de tot de e-mails met doodsbedreigingen te verkrijgen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. De minister heeft mogen betrekken dat uit de stempels in eisers paspoort volgt dat hij niet in Malawi was ten tijde van het
[organisatie]-evenement van 26 december 2024. De minister heeft mogen vinden dat deze ongerijmdheid ook afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers deelname aan het [organisatie]-evenement op 6 januari 2025, tijdens welk evenement eiser stelt te zijn aangevallen. Ook heeft de minister het bevreemdend mogen vinden dat zowel het politierapport als het rapport van het ziekenhuis zijn afgestempeld op 3 maart 2025 en dat beide stempels met pen zijn aangepast naar 6 januari 2025. Daarnaast heeft de minister het tegenstrijdig mogen achten dat in het politierapport staat dat eiser zelf aangifte heeft gedaan, maar dat eiser heeft verklaard dat een vriend van hem voor hem aangifte heeft gedaan. De minister heeft ook mogen betrekken dat eiser legaal en probleemloos is uitgereisd en dat dit niet strookt met zijn eigen verklaring dat de autoriteiten naar hem op zoek zijn.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond in stand blijft.
11. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL25.53429:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.53430:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 februari 2026
Documentcode: DSR62442768
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.