ECLI:NL:RBDHA:2026:8791

ECLI:NL:RBDHA:2026:8791

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 13-04-2026
Zaaknummer NL26.16241
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vreemdelingenbewaring - artikel 59 - nieuw asielmotief tijdens zitting - refoulement - zicht op uitzetting - Adrar - ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.16241

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),

en

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

1. Bij besluit van 20 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook zijn zuster en neef waren aanwezig. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Door omstandigheden was geen tolk aanwezig. Omdat eiser niet gehoord kon worden heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst.

De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op zitting van 3 april 2026 in de ochtend voortgezet mede omdat de uitzetting van eiser om 18:00 uur diezelfde dag was gepland. Eiser is verschenen via een audioverbinding. In zaal waren aanwezig: de gemachtigde van eiser en de tolk, mevrouw H. Ajdid. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Op 3 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen een reactie te geven op het nieuwe asielmotief dat eiser ter zitting naar voren heeft gebracht. Daarbij is aangegeven dat de geplande uitzetting niet door kan gaan omdat onder deze omstandigheden geen oordeel gegeven kan worden over het gestelde risico op refoulement. Verweerder heeft op 7 april 2026 hierop gereageerd. Eiser heeft op 8 april 2026 een nadere reactie ingediend. Op 9 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser voert aan dat hij in totaal al langer dan zes maanden in bewaring zit en dat verweerder een verzwaarde belangenafweging had moeten maken. Verder voert eiser aan dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Hij heeft in het gehoor voorafgaande aan de oplegging van de maatregel aangevoerd dat hij dood gaat als hij wordt uitgezet. Verweerder heeft met deze informatie niets gedaan. Verweerder had hierop door moeten vragen. Bij de aanvullende zitting op 3 april 2026 heeft eiser aangevoerd dat hij op mannen valt, met een mannelijke partner is ingereisd en dat hij hierover meer wil vertellen tegen verweerder. Hij heeft hier uit schaamte niet eerder over willen vertellen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Eiser zou eerder op 3 december 2025 worden uitgezet. Dezelfde dag heeft eiser op de G-pier op Schiphol een asielaanvraag ingediend en is de uitzetting geannuleerd. Deze aanvraag is door verweerder beoordeeld en afgewezen. Bij uitspraak van 18 maart 2026 is het beroep tegen de afwijzende beschikking ongegrond verklaard. Op 23 maart 2026 is met eiser een vertrekgesprek gevoerd waarbij is gevraagd of er sprake is van feiten en omstandigheden waardoor hij niet terug kan keren naar Marokko. Eiser heeft hierop aangegeven dat hij alles heeft verteld. Op 31 maart 2026 is opnieuw met eiser een vertrekgesprek gevoerd, waarbij eiser heeft aangegeven opnieuw een asielaanvraag te zullen indienen om zijn vertrek te voorkomen. Desgevraagd gaf eiser aan dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden waren. Dit vertrekgesprek is op 7 april 2026 toegevoegd aan het dossier.

Tijdens de zitting van 3 april 2026 gaf eiser aan op mannen te vallen. Dit asielmotief had eiser nog niet eerder naar voren gebracht en is dus ook niet beoordeeld in de vorige asielprocedure. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan op 3 april 2026 om 16:15 opnieuw een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Eiser heeft hierin aangegeven geen asielaanvraag te willen indienen en eerst met zijn advocaat te willen spreken. Bij bericht van 8 april 2026 heeft eiser aangegeven met zijn advocaat te hebben gesproken en alsnog een asielaanvraag te willen indienen. Hij vraagt verweerder om hem zo spoedig mogelijk daartoe in de gelegenheid te stellen.

6. Bij uitspraak van de 12 februari 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat als een vreemdeling heeft aangevoerd dat het beginsel van non-refoulement zich tegen zijn of haar uitzetting verzet, de minister deze vreemdeling pas na de uitspraak van de rechtbank op het beroep tegen de maatregel van bewaring mag uitzetten, als de rechter tot de conclusie is gekomen dat er geen risico op refoulement dreigt.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er vooralsnog zicht op uitzetting bestaat en dat hij voldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser zit al geruime tijd in bewaring en heeft pas toen zijn uitzetting dreigde een asielaanvraag ingediend. In de opmerking van eiser dat hij dood zou gaan bij terugkeer naar Marokko in het gehoor ter gelegenheid van de grondslagwijziging van de maatregel, heeft verweerder op dat moment terecht geen aanleiding gezien anders te handelen dan hij heeft gedaan. Eiser heeft deze opmerking namelijk niet verder geconcretiseerd en zijn beroep tegen de afwijzende beschikking op zijn asielaanvraag was twee dagen eerder ongegrond verklaard. Het ligt dan op de weg van eiser om aan te geven wat er sindsdien is veranderd en waarom hij niet terug zou kunnen naar Marokko. Daartoe heeft hij voldoende gelegenheid gekregen. Bovendien stond en staat het eiser vrij om uit eigen beweging contact te zoeken met verweerder om een opvolgende asielaanvraag in te dienen.

In hetgeen eiser op de zitting van 3 april 2026 naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om daar anders over te oordelen. Hierbij is van belang dat eiser sinds de oplegging van de onderhavige maatregel tot aan het moment dat hij gehoord werd op de zitting van 3 april 2026 gevraagd naar redenen waarom hij niet terug kon keren naar Marokko, steeds heeft aangegeven dat hij alles had verteld en dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden aan de orde waren. Het eerst ter zitting ingebrachte asielmotief inhoudende dat hij gevaar loopt in Marokko als gevolg van zijn seksuele gerichtheid, kan naar zijn aard niet volledig beoordeeld worden in deze procedure. Hiervoor dient een specialistisch gehoor plaats te vinden aan de hand waarvan het motief op geloofwaardigheid kan worden beoordeeld. Dit betekent dat als gevolg van de ter zitting geuite asielwens de geplande uitzetting, mede gelet op de onder 6 genoemde rechtspraak, geen doorgang kan vinden omdat de rechtbank het risico op refoulement voordien niet volledig heeft kunnen beoordelen. Dit maakt echter de maatregel van bewaring niet onrechtmatig nu eiser de gelegenheid dient te krijgen naar aanleiding van zijn asielwens een aanvraag in te dienen en verweerder de grondslag van de maatregel naar aanleiding daarvan kan wijzigen. Eiser heeft hier tot aan het sluiten van het onderzoek in deze procedure geen gebruik van gemaakt. Eerst op 8 april 2026 heeft de gemachtigde van eiser aan verweerder gevraagd eiser alsnog de gelegenheid te bieden om daadwerkelijk een asielaanvraag te doen.

8. Verder stelt de rechtbank vast dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd inhoudelijk niet worden betwist. De stelling dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen, heeft eiser niet onderbouwd. Deze gronden en de daarbij gegeven motivering zijn voldoende om het risico op onttrekking aan het toezicht en belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure aanwezig te achten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast.

9. Ten aanzien van de verzwaarde belangenafweging, stelt de rechtbank vast dat verweerder deze blijkens de voortgangsrapportage op goede gronden heeft gemaakt. Daarbij merkt de rechtbank op dat het deels aan eiser zelf te wijten is dat hij al lange tijd in vreemdelingenbewaring verblijft, nu hij geen enkele medewerking aan zijn vertrek heeft verleend en tot twee keer toe pas op het moment dat feitelijke uitzetting dreigde een asielwens naar voren heeft gebracht.

10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. D. Biever

Griffier

  • mr. J.R. Froma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?