RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.34441
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. L.J.H. Hoven-Kohl),
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. Eiser heeft op 19 december 2023 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023/3 van kracht. Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. De aanvraag valt onder het toepassingsbereik van dit besluit. Op grond hiervan stelt de minister zich op het standpunt dat de beslistermijn van de aanvraag met negen maanden is verlengd.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
4. In zijn uitspraak van 13 februari 20263 heeft deze zittingsplaats geoordeeld dat het besluit met kenmerk WBV 2023/34 buiten toepassing blijft. Deze zittingsplaats verlaat daarmee de lijn die is ingezet met de uitspraak van 16 februari 2024.5 Voor de aanvraag betekent dit dat de beslistermijn niet is verlengd met negen maanden. De minister had dus uiterlijk zes maanden later op de aanvraag moeten beslissen.6
5. Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen,7 vangt deze termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.8
6. De minister heeft twee maanden de tijd om een overnameverzoek in te dienen als er sprake is van een Eurodac-treffer.9 De rechtbank stelt vast dat de minister geen overnameverzoek heeft ingediend binnen deze twee maanden vanaf de datum van de aanvraag op 19 december 2023. De verantwoordelijkheid van Nederland is vast komen te staan na het verstrijken van deze twee maanden, dus op 20 februari 2024. Toen is de beslistermijn van zes maanden gaan lopen.10
7. Eiser komt uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium.11 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.12
8. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium.13 De aanvraag van eiser valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het moratorium.
9. De minister diende uiterlijk op 20 augustus 2025 te beslissen op de aanvraag (20 februari 2024 + zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden). Eiser heeft de minister op 11 juli 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3 ECLI:NL:RBDHA:2026:3820
4 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.
5 ECLI:NL:RBDHA:2024:1859.
6 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
7 Artikel 30 van de Vw.
8 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
9 Artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening.
10 Artikel 42, eerste lid, van de Vw.
11 Stcrt. 2024, 41538.
12 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrië.
13 Vgl. o.m. de uitspraak van de ABRvS van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600, onder 5.3.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 april 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.