ECLI:NL:RBDHA:2026:8813

ECLI:NL:RBDHA:2026:8813

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 13-04-2026
Zaaknummer NL25.36599
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Beroep niet-tijdig beslissen, het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag d.d. 8 december 2023, Dublinonderzoek, geen overnameverzoek, Syrië-moratorium, beroep niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.36599

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk),

en

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

Is het beroep van eiser ontvankelijk?

1. De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

3. Eiser heeft op 8 december 2023 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023/3 van kracht. Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. De aanvraag valt onder het toepassingsbereik van dit besluit. Op grond hiervan stelt de minister zich op het standpunt dat de beslistermijn van de aanvraag met negen maanden is verlengd.

1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.

4. In zijn uitspraak van 13 februari 20263 heeft deze zittingsplaats geoordeeld dat het besluit met kenmerk WBV 2023/34 buiten toepassing blijft. Deze zittingsplaats verlaat daarmee de lijn die hij heeft ingezet met zijn uitspraak van 16 februari 2024.5 Voor de aanvraag betekent dit dat de beslistermijn niet is verlengd met negen maanden. De minister had dus uiterlijk zes maanden later op de aanvraag moeten beslissen.6

5. Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen,7 vangt deze termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.8

6. Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft in haar uitspraak van 5 maart 2025 geoordeeld dat de minister artikel 42, zesde lid, van de Vw onder bepaalde

omstandigheden ook mag toepassen in de situatie dat de minister in de claimfase onderzoek verricht naar de toepassing van de Dublinverordening, maar uiteindelijk afziet van het leggen van een claim op een andere lidstaat.9 Dat onderzoek moet meer omvatten dan enkel een onderzoek in Eurodac naar de vingerafdrukken van de vreemdeling.

7. De rechtbank stelt vast dat in het geval van eiser in de claimfase onderzoek heeft plaatsgevonden naar de toepassing van de Dublinverordening. De minister heeft, voordat hij besloot geen claimverzoek in te dienen, niet alleen onderzoek in Eurodac verricht, maar overeenkomstig artikel 34 van de Dublinverordening een verzoek om informatie gedaan. De rechtbank overweegt dat de minister ook in die situatie artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 mag toepassen.

8. Het is vervolgens de vraag op welk moment na dit onderzoek is vastgesteld dat de verantwoordelijkheid is overgegaan op Nederland, want vanaf dat moment begint op grond van de beslistermijn te lopen. Deze verantwoordelijkheid is in ieder geval vast komen te staan na het verstrijken van twee maanden na de Eurodac-treffer van 8 december 2023. Nederland heeft de verantwoordelijkheid niet eerder dan deze termijn aan zich getrokken. De beslistermijn van zes maanden is dus gaan lopen vanaf 9 februari 2024.

9. Eiser komt uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium.10 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.11

3 ECLI:NL:RBDHA:2026:3820

4 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.

5 ECLI:NL:RBDHA:2024:1859.

6 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

7 Artikel 30 van de Vw.

8 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.

9 Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 5 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3378.

10 Stcrt. 2024, 41538.

11 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrië.

10. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium.12 De aanvraag van eiser valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het moratorium.

11. De minister diende uiterlijk op 9 augustus 2025 te beslissen op de aanvraag (9 februari 2024 + zes maanden + één jaar). Eiser heeft de minister op 22 juli 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.

12 Vgl. o.m. de uitspraak van de ABRvS van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600, onder 5.3.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

02 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.P. Loman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?