RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom),
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.35972
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Overwegingen
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
1. De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
3. De minister heeft de aanvraag op 1 november 2023 ontvangen. Sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023/3 van kracht.3 Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. De aanvraag valt onder het toepassingsbereik van dit besluit. Op grond hiervan stelt de minister zich op het standpunt dat de beslistermijn van de aanvraag met negen maanden is verlengd.
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.
4. In zijn uitspraak van 13 februari 20264 heeft deze zittingsplaats geoordeeld dat het besluit met kenmerk WBV 2023/35 buiten toepassing blijft. Deze zittingsplaats verlaat daarmee de lijn die hij heeft ingezet met zijn uitspraak van 16 februari 2024.6 Voor de aanvraag betekent dit dat de beslistermijn niet is verlengd met negen maanden.
5. Gelet op het voorgaande dient de minister dus uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking te geven.7 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen,8 vangt deze termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.9
6. Eiser heeft op 1 november 2023 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Op dezelfde datum bleek uit onderzoek dat de Italiaanse autoriteiten eiser op 18 september 2023 een visum hadden verleend. De claimtermijn bedraagt in dit geval drie maanden.10 Dat moment kan zich ook eerder voordoen. Daarvan kan sprake zijn wanneer Nederland al eerder, expliciet of door handelen impliciet, besluit tot een inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Daarmee trekt de lidstaat de verantwoordelijkheid aan zich zodat die daarmee ook is vastgesteld.11
7. De minister heeft eiser per brief van 12 april 2024 laten weten zijn aanvraag verder te behandelen in de nationale procedure. De minister stelt daarbij dat Nederland verantwoordelijk is geworden op 2 januari 2024. De rechtbank stelt vast dat de minister expliciet kenbaar maakt per 2 januari 2024 verantwoordelijk te zijn geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Dit betekent dat de minister in beginsel uiterlijk op 2 juli 2024 op de aanvraag had moeten beslissen.12
8. Eiser komt uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium.13 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.14
9. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium.15 De aanvraag van eiser valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het moratorium.
4 ECLI:NL:RBDHA:2026:3820
5 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.
6 ECLI:NL:RBDHA:2024:1859.
7 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
8 Artikel 30 van de Vw.
9 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
10 Artikel 21, eerste lid, en artikel 23, eerste lid, van de Dublinverordening.
11 ECLI:NL:RBDHA:2025:3378, r.o. 7.3.
12 Artikel 42, eerste lid, van de Vw.
13 Stcrt. 2024, 41538.
14 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrië.
15 Vgl. o.m. de uitspraak van de ABRvS van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600, onder 5.3.
10. De minister diende uiterlijk op 2 juli 2025 te beslissen op de aanvraag (2 januari 2024
+ zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden). Eiser heeft de minister op 10 juli 2025 in gebreke gesteld en heeft op 4 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De rechtbank stelt verder vast dat eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
11. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.16
12. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.17 Dat de beslistermijn van 21 maanden waarbinnen de behandelingsprocedure dient te worden afgerond in dit geval is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser nog niet is gehoord omtrent zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
13. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.18 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen acht weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
15. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
16 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
17 ECLI:NL:RVS:2020:1560.
18 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 maart 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.