Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/25
zaak- /rekestnummer: C/09/702044 / KG RK 26-559
Beslissing van 1 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. J.C. van den Dries,
rechter-plaatsvervanger in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. Het wrakingsverzoek
Het wrakingsverzoek is gedaan tijdens een mondelinge behandeling op 24 maart 2026 in de zaak met nummer C/09/700771 / FA RK 26-2187 (hierna: de hoofdzaak). De hoofdzaak betreft een door de officier van justitie ingediend verzoekschrift inzake de verlening van een zorgmachtiging voor verzoekster voor de duur van zes maanden. De wrakingskamer heeft de beschikking over het dossier in de hoofdzaak.
Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van wraking aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de handelwijze van de rechter suggereert dat zij gefocust is om verzoekster in de psychiatrie te houden.
2. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Verzoekster vindt de rechter vooringenomen omdat haar handelwijze suggereert dat zij gefocust is om verzoekster binnen de psychiatrie te houden. Verzoekster heeft deze aangevoerde grond echter niet nader onderbouwd. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor zou kunnen afleiden, heeft zij niet aangevoerd. De wrakingskamer is ook niet gebleken van zulke feiten of omstandigheden. Daarom is het verzoek niet toewijsbaar.
Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
Het is de wrakingskamer ambtshalve bekend dat verzoekster recent meerdere wrakingsverzoeken heeft ingediend, die niet tot gegrondverklaring hebben geleid (met kenmerken C/09/697824 / KG RK 26-109 en C/09/699522 / KG RK 26-274). Gezien deze eerdere wrakingsverzoeken en de onderbouwing daarvan, concludeert de wrakingskamer dat verzoekster het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan het frustreren van de voortgang van de procedures. Daarmee is sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in de hoofdzaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
3. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak niet in behandeling zal worden genomen;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoekster;
• de officier van justitie;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, S.M. Westerhuis-Evers en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.