RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.43431
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
De minister heeft op 13 januari 2026 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft deze op 3 februari 2026 voorzien van repliek.
Overwegingen
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het besluit- en vertrekmoratorium Syrië van toepassing op eiser?
3. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium.3 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Stct. 2024, 41538.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard een Palestijn te zijn, afkomstig uit Syrië. Eiser heeft een onbekende nationaliteit. Uit het aanmeldgehoor blijkt dat hij in Syrië zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. De minister bevestigt in zijn verweerschrift dat eiser een Palestijnse staatloze is voor wie Syrië als vaste woon- en verblijfplaats geldt.
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij Palestijn is. Volgens hem dient zijn asielrelaas beoordeelt te worden naar de situatie in de Palestijnse gebieden en niet naar Syrië. De rechtbank begrijpt dat eiser zich daarmee op het standpunt stelt dat het besluitmoratorium voor Syrië niet op de aanvraag van eiser van toepassing is.
6. De minister is van mening dat het besluitmoratorium wel van toepassing is op de aanvraag. Hij verwijst naar het aanmeldgehoor waaruit blijkt dat eiser een Palestijnse staatloze is die zijn hele leven in Syrië heeft verbleven. De minister concludeert dat het besluitmoratorium op eiser van toepassing is en eiser daarnaast niet valt onder één van de uitzonderingscategorieën. Volgens de minister is de aanvraag van eiser onder het besluitmoratorium rechtsgeldig verlengd.4
7. In Informatiebericht 2024/87 staat dat bepaalde categorieën zijn uitgezonderd van de beslissing tot opschorting van de beslistermijn en vertrekplicht, onder andere “personen die niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij de Syrische nationaliteit hebben of voor wie Syrië als land van vaste woon- en verblijfplaats geldt (staatlozen, mn staatloze Palestijnen uit Syrië).”
8. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluitmoratorium dus van toepassing op eiser. De minister heeft aannemelijk gemaakt dat Syrië voor eiser als land van vaste woon-en verblijfplaats geldt. Dit blijkt ook uit het aanmeldgehoor. De uitzonderingsgrond in IB 2024/87 is derhalve niet op eiser van toepassing.
9. Eiser stelt dat de minister “niet mag verlengen voor zaken waar de beslistermijn al was verlopen”. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium.5 De aanvraag van eiser valt onder deze situatie en daarmee onder het toepassingsbereik van het moratorium. De beroepsgrond faalt.
10. De minister heeft de aanvraag op 6 maart 2024 ontvangen. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.6
4 IB 2024/87 Besluit- en vertrekmoratorium Syrië.
5 Vgl. ECLI:NL:RVS:2025:3082 en ECLI:NL:RVS:2019:3600, onder 5.3.
6 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
11. Eiser valt onder het besluitmoratorium. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.7
12. De minister diende uiterlijk op 6 september 2026 te beslissen op de aanvraag
(6 maart 2024 + zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden). Eiser heeft de minister op 15 augustus 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
7 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrië.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 maart 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.