RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Ceylan),
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.54358
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking te geven.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen,4 vangt deze termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.5
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4 Artikel 30 van de Vw.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
4. Indien onderzoek plaatsvindt in het kader van de Dublinverordening, dan vangt die termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.6 Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 5 maart 2025 geoordeeld dat de minister artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 onder bepaalde omstandigheden ook mag toepassen in de situatie dat de minister in de claimfase onderzoek verricht naar de toepassing van de Dublinverordening, maar uiteindelijk afziet van het leggen van een claim op een andere lidstaat.7 Dat onderzoek moet meer omvatten dan enkel een onderzoek in Eurodac naar de vingerafdrukken van de vreemdeling.
5. De rechtbank stelt vast dat zij in de uitspraak van 2 september 20258 de uiterlijke beslistermijn heeft vastgesteld op 20 oktober 2025. Van dit oordeel komt de rechtbank nu terug. Zij overweegt daartoe het volgende.
6. In de claimfase heeft onderzoek plaatsgevonden naar de toepassing van de Dublinverordening. De minister heeft, voordat hij besloot geen claimverzoek in te dienen, niet alleen onderzoek in Eurodac verricht, maar overeenkomstig artikel 34 van de Dublinverordening tevens een verzoek om informatie gedaan. De rechtbank overweegt dat de minister ook in die situatie artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 mag toepassen.
7. Het is vervolgens de vraag op welk moment na dit onderzoek is vastgesteld dat de verantwoordelijkheid is overgegaan op Nederland, want vanaf dat moment begint op grond van de beslistermijn te lopen.9 Deze verantwoordelijkheid is in ieder geval vast komen te staan na het verstrijken van twee maanden na de Eurodac-treffer van 20 april 2024. Nederland heeft de verantwoordelijkheid niet eerder dan na afloop van deze termijn aan zich getrokken. De beslistermijn van in beginsel zes maanden is dus gaan lopen vanaf 20 juni 2024.10
8. Eiser komt uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium.11 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.12
9. Eén en ander betekent dat de minister uiterlijk op 20 december 2025 diende te beslissen op de aanvraag (20 juni 2024 + zes maanden + één jaar). Eiser heeft de minister op
22 oktober 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.
6 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
7 Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 5 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3378.
8 Rb. Den Haag (zp. Utrecht) 2 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20422.
9 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
10 Artikel 42, eerste lid, van de Vw. Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
11 Stcrt. 2024, 41538.
12 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrië.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 maart 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.