RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R. Hijma),
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.54176
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Overwegingen
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. De aanvraag is in ontvangst genomen op 25 oktober 2024. Indien onderzoek plaatsvindt in het kader van de Dublinverordening vangt die termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.3 De minister mag onder bepaalde omstandigheden artikel 42, zesde lid, van de Vw ook toepassen in de situatie dat hij onderzoek verricht naar de toepassing van de Dublinverordening, maar uiteindelijk afziet van het leggen van een claim op een andere lidstaat. Dat onderzoek moet meer omvatten dan enkel een onderzoek in Eurodac.4
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4 ECLI:NL:RBDHA:2025:6860.
4. In het geval van eiser heeft in de claimfase onderzoek plaatsgevonden naar de toepassing van de Dublinverordening. De minister heeft een zogenoemde Eurodac-bevraging verricht en daarnaast heeft de minister een Dublingehoor van eiser afgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit samenstel van handelingen te verstaan als een onderzoek naar de toepassing van de Dublinverordening. Om die reden heeft de minister artikel 42, zesde lid, van de Vw mogen toepassen.
5. Het is vervolgens de vraag op welk moment na dit onderzoek is vastgesteld dat de verantwoordelijkheid is overgegaan op Nederland, want vanaf dat moment begint op grond van de beslistermijn te lopen.5 Deze verantwoordelijkheid is in ieder geval vast komen te staan na het verstrijken van twee maanden na de Eurodac-treffer van 25 oktober 2024. Nederland heeft de verantwoordelijkheid niet eerder dan deze termijn aan zich getrokken. De beslistermijn van zes maanden is dus gaan lopen vanaf 25 december 2024.6
6. Eiser heeft de minister op 20 oktober 2025 in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.
7. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.7 In deze zaak is dit aan de orde.
8. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser in deze zaak nog niet is gehoord omtrent zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor omtrent de asielmotieven van eiser moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit op de aanvraag bekend moet maken.
9. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.8 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
10. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
6 Artikel 42, eerste lid, van de Vw. Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
7 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
8 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
11. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.9 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaak niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen de onder 8. genoemde termijn alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
9 Stb. 2025, 96.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 maart 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.