RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.24719
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en
de minister van Asiel en Migratie , verweerder (de minister)
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is omdat niet kan worden vastgesteld dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit deze aanvraag in de algemene asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL24.24720).
Op 10 maart 2026 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om een actuele stand van zaken door te geven en meer specifiek aan te geven of er contact is met eiser.
De gemachtigde van eiser heeft op 11 maart 2026 laten weten dat eiser volgens het COA op 26 juni 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen contact meer heeft met eiser.
Op 19 maart 2026 heeft de rechtbank de minister verzocht om een verweerschrift in te dienen en daarbij in te gaan op de volgende vragen:
Klopt het dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken?
Als eiser met onbekende bestemming is vertrokken, wat betekent dit volgens u voor het beroep van eiser?
Als eiser met onbekende bestemming is vertrokken, wat betekent dit volgens u voor het terugkeerbesluit in relatie tot artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn?
De minister heeft op 31 maart 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift en daarin onder andere bevestigd dat eiser op 26 juni 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft niet gereageerd op dit bericht.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. Eiser heeft op 18 november 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Eiser is op 30 mei 2024 in de gelegenheid gesteld de reden(en) voor zijn asielaanvraag toe te lichten. Dit gehoor is echter na het vrije relaas afgebroken omdat gebleken is dat eiser voorafgaand aan dit gehoor nog niet met zijn gemachtigde had gesproken. Eiser is vervolgens uitgenodigd voor een aanvullend nader gehoor op
10 juni 2024, maar niet verschenen.
De minister heeft met het bestreden besluit van 14 juni 2024 de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder a, van de Vw. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser niet is verschenen voor het aanvullend nader gehoor en zijn asielaanvraag hierdoor niet nader kon worden onderzocht. Eiser kreeg verder een terugkeerbesluit opgelegd voor Algerije en diende Nederland onmiddellijk te verlaten.
Heeft eiser procesbelang?
4. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser en de minister neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de afwijzing van zijn asielaanvraag.
De rechtbank overweegt vervolgens dat naast een beoordeling van de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming theoretisch gezien ook sprake kan zijn van een (afzonderlijk) belang bij een (ambtshalve) rechterlijke beoordeling van het terugkeerbesluit. Dit gelet op de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement zoals bedoeld in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank is echter van oordeel dat een enkel theoretisch belang onvoldoende is om tot een ontvankelijk beroep te komen en overweegt dat daarbij ook sprake moet zijn van een daadwerkelijk en actueel belang dat voldoende concreet is. Volgens de rechtbank is hier in geval van eiser onvoldoende van gebleken.
De rechtbank vindt hiertoe van belang dat eiser al bijna twee jaar niet (meer) in beeld is bij de Nederlandse autoriteiten en dat hij geen contact (meer) onderhoudt met zijn gemachtigde. Hierdoor is het volstrekt onduidelijk waar en onder welke omstandigheden eiser zich op dit moment bevindt. Ook bestaat de kans dat eiser inmiddels aan zijn verplichting tot terugkeer naar Algerije, althans vertrek uit de Europese Unie, heeft voldaan. Het staat volgens de rechtbank dan ook in zijn geheel niet vast dat eiser in de toekomst wordt onderworpen aan een verwijderingsprocedure en er daadwerkelijk uitzettingshandelingen zullen worden verricht om het terugkeerbesluit van eiser ten uitvoer te kunnen brengen. Bovendien, als zich in de toekomst toch een situatie van gedwongen uitzetting voordoet omdat eiser weer in beeld komt bij de autoriteiten, dan bestaat er dan de mogelijkheid om die bewaringsmaatregel aan te vechten. In dat geval zal de bewaringsrechter moeten kijken naar het risico op refoulement. Op basis van deze feiten en omstandigheden bestaat er in de ogen van de rechtbank (op dit moment) dan ook geen daadwerkelijk en actueel belang bij een (ambtshalve) rechterlijk oordeel over het terugkeerbesluit en ziet de rechtbank zich niet genoodzaakt om zich (ambtshalve) uit te laten over een mogelijke schending van het refoulementbeginsel.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Janssens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.