Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09-350856-25 en 09-267992-25 (tul)
Datum uitspraak: 14 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 31 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Noort en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.M. Kuyp naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 24 december 2025 te Delft, althans in Nederland, meerdere stuks gereedschap, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2.hij op of omstreeks 24 december 2025 te Delft, althans in Nederland, meerdere stuks gereedschap, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] en/of [aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank volstaat voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, zoals genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring, met uitzondering van het onderdeel braak en/of verbreking in feit 2, en heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit, behalve voor het onderdeel braak en/of verbreking in feit 2.
Nu de rechtbank het standpunt van de officier van justitie en de raadsman ten aanzien van het onderdeel braak en/of verbreking in feit 2 volgt, behoeft dit geen nadere motivering.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025434638, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 78).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 31 maart 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 24 december 2025 (p. 19);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 24 december 2025 (p. 22).
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.hij op 24 december 2025 te Delft meerdere stuks gereedschap die geheel of ten dele aan [aangever 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2.hij op 24 december 2025 te Delft meerdere stuks gereedschap die geheel of ten dele aan [aangever 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De oplegging van een maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte, zonder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, een voorwaardelijke maatregel wordt opgelegd tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (hierna: ISD-maatregel) met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel, althans een voorwaardelijke ISD-maatregel.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met braak uit een bestelbus en aan diefstal uit een bestelbus. Dat zijn hinderlijke feiten waarvan burgers en de maatschappij financiële schade en overlast ondervinden. Met het plegen van deze feiten heeft de verdachte kennelijk uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financieel gewin en heeft hij geen blijk gegeven van respect voor de eigendomsrechten van anderen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden herhaaldelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Klaarblijkelijk hebben de eerdere veroordelingen de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van 6 januari 2026 en 13 maart 2026 die over de verdachte zijn opgesteld. De adviezen zijn opgemaakt en ondertekend door reclasseringsmedewerkers. Ter terechtzitting is de heer [naam] , reclasseringsmedewerker en opsteller van het meeste recente advies, als deskundige gehoord om deze adviezen toe te lichten.
Uit de rapporten blijkt dat het de verdachte ontbreekt aan inkomen, dat het hem niet is gelukt om een uitkering aan te vragen en dat een financieel motief ten grondslag ligt aan het plegen van strafbare feiten. Ook staat hierin dat de verdachte al langere tijd geen drugs meer gebruikt, maar dat het hem niet lukt om een inkomen en huisvesting te verwerven. Uit het meest recente rapport komt naar voren dat de verdachte de wens heeft om te veranderen en dat hij niet meer met politie en justitie in aanraking wil komen. Ook staat erin dat de verdachte zich ervan bewust is dat hij bij een voorwaardelijke ISD-maatregel een laatste kans krijgt om dit te bereiken. De reclassering ziet een duidelijke verandering in houding bij de verdachte en adviseert de rechtbank om aan de verdachte, bij veroordeling, een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met enkele bijzondere voorwaarden.
Voldaan aan ISD-criteria
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte voldoet aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-voorwaarden van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de ISD-maatregel. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met braak. Dit is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte van 31 maart 2026 blijkt dat hij in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte is in het verleden vaak veroordeeld voor vermogensdelicten en de reclassering schat de kans op herhaling in als hoog. Eerdere gevangenisstraffen hebben de verdachte tot dusver niet bewogen om een bestaan op te bouwen zonder het plegen van delicten. Op basis van het strafblad van de verdachte en het advies van de reclassering moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van goederen in het geding is.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist.
De rechtbank overweegt verder dat de verdachte valt onder de definitie van ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, aangezien over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Voorwaardelijke ISD-maatregel
Zoals door de reclassering geadviseerd en ook door de officier van justitie en de raadsman bepleit acht de rechtbank, alles afwegende, het passend om aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Dit betekent dat de maatregel niet ten uitvoer wordt gelegd als de verdachte zich houdt aan de voorwaarden die in de beslissing (het dictum) zijn opgenomen. De rechtbank overweegt dat de verdachte ter terechtzitting blijk heeft gegeven van schuldbesef, dat uit de reclasseringsrapportage volgt dat de verdachte de wens heeft om te veranderen en dat de reclassering er ook veel moeite in steekt om dit te laten slagen. De rechtbank wil de verdachte daarom de kans geven om zijn gedrag te veranderen en niet meer met politie en justitie in aanraking te komen
Ter optimale bescherming van de maatschappij zal de rechtbank de voorwaardelijke
ISD-maatregel opleggen voor maximale duur van twee jaar en de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten niet aftrekken van de op te leggen maatregel. Daarnaast zal de rechtbank om dezelfde redenen bepalen dat de algemene voorwaarde die aan de voorwaardelijke ISD-maatregel wordt verbonden, te weten dat de verdachte geen strafbare feiten mag plegen, zal gelden gedurende een proeftijd van twee (2) jaren tezamen met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Als de verdachte deze algemene voorwaarde of een bijzondere voorwaarde niet naleeft, dan ligt de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel in de rede om de maatschappij tegen de verdachte te beschermen.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[aangever 1] en [aangever 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces.
Benadeelde [aangever 1] vordert – na wijziging van de vordering ter terechtzitting – een schadevergoeding van € 3.879,38, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade, te weten herstelkosten van het beschadigde slot en gemist inkomen.
Benadeelde [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 1.890,42 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade, namelijk kosten van gereedschap.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd om de vordering van benadeelde [aangever 1] tot een bedrag van € 3.879,38 toe te wijzen en om de vordering van benadeelde [aangever 2] niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie heeft daarbij aangevoerd dat al het gereedschap aan benadeelde [aangever 2] zou zijn teruggegeven, zodat hij geen schade zou hebben geleden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft beide vorderingen betwist. Ten aanzien van benadeelde [aangever 1] is aangevoerd dat hij weliswaar niet gewerkt heeft, maar dat hij zijn schade op grond van de schadebeperkingsplicht had moeten beperken. Daarnaast is de hoogte van de herstelkosten voor de schade aan het slot betwist. Met betrekking tot benadeelde [aangever 2] heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte al het gestolen gereedschap bij zich had tijdens de aanhouding en dat het gereedschap bij weten van de verdediging is teruggegeven. Benadeelde [aangever 2] zou daarom geen schade hebben geleden.
Het oordeel van de rechtbank
Benadeelde [aangever 1]
Uit de bewezenverklaarde diefstal met braak uit een auto volgt dat de verdachte aan de eigenaar van de auto, benadeelde [aangever 1] , rechtstreeks schade heeft toegebracht. Op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek is de verdachte gehouden om de schade van benadeelde [aangever 1] te vergoeden. De rechtbank dient de schade op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en mag de omvang zo nodig schatten.
Benadeelde [aangever 1] heeft ter onderbouwing van zijn vordering een offerte bijgevoegd voor herstel van het slot van € 1.799,38 (excl. btw) en een door een derde opgesteld overzicht voor het misgelopen inkomen van € 2.080,- (excl. btw). Hiermee heeft benadeelde [aangever 1] voldaan aan zijn stelplicht.
De rechtbank maakt gebruik van van haar bevoegdheid om de hoogte van de herstelkosten van het slot te schatten en stelt deze schade vast op € 1.000,- (excl. btw). De rechtbank weegt hierbij mee dat de verdediging heeft aangevoerd dat de herstelkosten tussen de € 120,- en € 1.200,- zouden bedragen en dat namens benadeelde [aangever 1] tijdens de zitting is verklaard dat hij niet alle in de offerte genoemde werkzaamheden heeft laten verrichten. De rechtbank zal de wettelijk rente toewijzen vanaf 24 december 2025, de dag waarop de schade aan het slot is ontstaan.
Het door benadeelde [aangever 1] gestelde misgelopen inkomen van € 2.080,- wordt ook toegewezen. De verdediging heeft niet betwist dat benadeelde [aangever 1] als gevolg van de diefstal niet heeft gewerkt, maar heeft een beroep gedaan op de schadebeperkingsplicht. Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het aan de verdachte om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan benadeelde [aangever 1] moet worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte onvoldoende concreet gesteld dat benadeelde [aangever 1] niet heeft voldaan aan hetgeen redelijkerwijs van hem mocht worden gevergd met het oog op de beperking van de schade. Het enkele gegeven dat in de periode tussen kerst en oud en nieuw de werkbus van [aangever 1] niet gerepareerd is en/of niet gezorgd is voor vervangend vervoer is namelijk onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat van benadeelde [aangever 1] meer gevergd had mogen worden en dat daarom de schade (gedeeltelijk) aan hem moet worden toegerekend. De wettelijke rente over de schade van € 2.080,- wordt toegewezen vanaf 2 januari 2026. Dit is de laatste dag waarover benadeelde [aangever 1] misgelopen inkomen vordert, zodat de rechtbank die datum vaststelt als datum waarop de schade door benadeelde [aangever 1] is geleden.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die benadeelde [aangever 1] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover benadeelde [aangever 1] aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.080,-, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.000,- vanaf 24 december 2025 en over € 2.080,- vanaf 2 januari 2026 tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald.
Benadeelde [aangever 2]
Uit het procesdossier blijkt dat meerdere stuks gereedschap aan de benadeelde partijen zijn teruggegeven. De rechtbank kan echter niet vaststellen of benadeelde [aangever 2] al zijn gereedschap heeft teruggekregen, zoals door de verdediging betoogd. Het is niet uitgesloten dat benadeelde [aangever 2] enkele stuks gereedschap niet heeft teruggekregen. Het voorgaande betekent dat het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk is dat benadeelde [aangever 2] schade heeft geleden die hij, met het oog op de betwisting namens de verdachte, op een later moment kan onderbouwen. Het zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren om benadeelde [aangever 2] daartoe in deze procedure de gelegenheid te geven. De rechtbank zal daarom de gehele vordering van benadeelde [aangever 2] niet-ontvankelijk verklaren. Nu benadeelde [aangever 2] niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het voorgaande brengt mee dat benadeelde [aangever 2] wordt veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. Deze kosten begroot de rechtbank op nihil.
8. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de verdediging
De verdediging heeft ter zitting teruggave gevorderd van de fiets die tijdens de aanhouding in beslag genomen is.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangegeven dat destijds niet gebleken is dat de fiets geregistreerd staat als gestolen en heeft aangekondigd dit nogmaals te controleren. De officier van justitie heeft de rechtbank daarnaast verzocht om geen beslissing te nemen over deze fiets.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 94 e.v. Wetboek van Strafvordering is de rechtbank gehouden om een beslissing te nemen over in beslag genomen goederen wanneer de officier van justitie of de verdediging verzoekt om een beslising.
De rechtbank stelt op basis van het procesdossier vast dat de fiets in beslag genomen is en dat hierover door de officier van justitie nog geen beslissing is genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond om het beslag op de fiets nog langer te laten voortduren. Aan de hand van het procesdossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte de rechthebbende is op de fiets. De rechtbank beveelt daarom de teruggave van de fiets aan de rechthebbende, waarbij het aan de officier van justitie en/of politie is om vast te stellen wie dat is.
9. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 10 februari 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09-267992-25 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van twee maanden van de politierechter van de rechtbank Den Haag van 22 oktober 2025, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verzocht om deze vordering af te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, althans om de proeftijd van die veroordeling te verlengen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het niet opportuun om de vordering toe te wijzen. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.
10. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 36f, 38m, 38n, 38p, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1: Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
ten aanzien van feit 2: Diefstal
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op:
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;
bepaalt dat die maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor Leiden aan de [adres] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij GGZ reclassering Fivoor [plaats 2] , op het adres [adres] ;
- zich gedurende de proeftijd verplicht mee te werken aan controles om zicht te krijgen op het eventueel gebruik van cannabis en cocaïne. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van het Ambulant centrum van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor het psychosociaal functioneren en houding van de verdachte. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de verdachte zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding of betaald werk, met een vaste structuur;
- zich gedurende de proeftijd verplicht mee te werken aan begeleiding vanuit de MJD van Fivoor inzake het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor [plaats 2] aan de [adres] tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
de vordering van benadeelde partij [aangever 1] en schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van benadeelde [aangever 1] toe tot een bedrag van € 3.080,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.000,- vanaf 24 december 2025 en over € 2.080,- vanaf 2 januari 2026 tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.080,- vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.000,- vanaf 24 december 2025 en over € 2.080,- vanaf 2 januari 2026 tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan benadeelde [aangever 1] de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan benadeelde [aangever 1] in zoverre doet vervallen;
de vordering van benadeelde partij [aangever 2] ;
bepaalt dat benadeelde [aangever 2] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt benadeelde [aangever 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten worden begroot op nihil;
de inbeslaggenomen goederen;
bepaalt dat de in beslag genomen fiets teruggegeven moet worden aan de rechtmatige eigenaar.
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van politierechter van de rechtbank Den Haag op 22 oktober 2025, gewezen onder parketnummer 09-267992-25 af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.G. Bruinsma, voorzitter,
mr. J. Snoeijer, rechter,
mr. K.M. de Groes, rechter,
in tegenwoordigheid van A.E. van Gent, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april 2026.