RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie,
Inleiding
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19677
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en
(gemachtigde: mr. L. Augustinus).
1. Op 31 maart 2026 heeft de minister aan verzoeker een overdrachtsbesluit opgelegd in de zin van artikel 26 van de Dublinverordening, inhoudende dat verzoeker zal worden overgedragen aan Oostenrijk.
Verzoeker heeft op 8 april 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, en aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 13 april 2026 gesloten.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft op 13 november 2023 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is met de beschikking van 12 april 2024 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk zou zijn voor de asielaanvraag van eiser in het kader van de Dublinverordening.
Op 16 maart 2026 is aan mr. T. der Bedrosian, als zijnde de gemachtigde van verzoeker, een brief gestuurd waarin de minister heeft aangegeven dat niet Bulgarije maar Oostenrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoeker. Op 16 maart 2026 zijn de autoriteiten van Oostenrijk akkoord gegaan met het claimverzoek. Aan verzoeker is medegedeeld dat hij binnen twee weken kon reageren op de wijziging van de verantwoordelijke lidstaat.
Op 31 maart 2026 heeft de minister een overdrachtsbesluit genomen dat ziet op Oostenrijk. Dit besluit is bekendgemaakt aan mr. T. der Bedrosian.
Op verzoek van de gemachtigde van verzoeker, mr. H. Postma, is op 8 april 2026 aan haar het overdrachtsbesluit toegezonden. Ook is zij op 8 april 2026 op de hoogte gesteld van de geplande overdracht op 14 april 2026.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen, als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich in deze zaak die situatie voor, omdat de feitelijke overdracht staat gepland voor 14 april 2026.
Gronden
4. Verzoeker voert aan dat het overdrachtsbesluit van 31 maart 2026 niet rechtsgeldig is bekendgemaakt, nu het besluit aan mr. T. der Bedrosian is toegezonden, terwijl dit niet de gemachtigde van verzoeker is. De gemachtigde van verzoeker heeft het overdrachtsbesluit pas van de minister ontvangen na navraag op 8 april 2026. Uit de e-mailwisseling met mr. T. der Bedrosian volgt dat hij verzoeker niet bijstaat en dat hij dit de minister heeft laten weten. Het had de minister verder op basis van het bewaringsdossier bekend moeten zijn wie de gemachtigde van verzoeker is. Verzoeker voert verder aan dat het overdrachtsbesluit niet zorgvuldig is voorbereid omdat verzoeker niet conform artikel 5 van de Dublinverordening is gehoord en niet in de gelegenheid is gesteld om zijn eventuele bezwaren tegen een overdracht aan Oostenrijk kenbaar te maken. Dit klemt te meer nu de asielprocedure van verzoeker lang geduurd heeft en uitsluitend is gegaan over de verantwoordelijkheid van Bulgarije en niet van Oostenrijk.
Verweer
5. Ten aanzien van het standpunt van verzoeker dat de brief van 16 maart 2026 en de beschikking van 31 maart 2026 aan de verkeerde gemachtigde bekend zijn gemaakt stelt de minister dat terecht is uitgegaan van mr. T. der Bedrosian als gemachtigde. Ter onderbouwing hiervan heeft de minister een mailwisseling met de Raad voor Rechtsbijstand overgelegd, waaruit blijkt dat een medewerker van de Centrale Piketafdeling aan de minister heeft medegedeeld dat mr. T. der Bedrosian de gemachtigde van verzoeker is. De minister stelt dat het voor eigen rekening en risico van verzoeker komt dat hij niet heeft gereageerd op de brief van 16 maart 2026.
Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat hij ten onrechte niet is gehoord voert de minister aan dat de Dublinverordening in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b de mogelijkheid biedt om onder omstandigheden af te zien van een gehoor. Dit is vastgelegd in paragraaf C1/2.6 van de Vc. Onder verwijzing naar het IB 2023/82 licht de minister toe dat bij verschuiving van de verantwoordelijke lidstaat een “brief wijziging claimland” wordt verstuurd, en dat na afwachting van de reactietermijn een nieuw overdrachtsbesluit wordt genomen. Verzoeker heeft niet gereageerd op de brief.
Oordeel van de voorzieningenrechter
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de minister mocht uitgaan van de informatie van de piketafdeling van de Raad voor Rechtsbijstand. De minister heeft immers contact gezocht met de juiste instantie, en mocht er in beginsel dan ook van uitgaan dat de verkregen informatie juist was. Dat de Raad voor Rechtsbijstand een andere gemachtigde heeft doorgegeven dan de gemachtigde van verzoeker maakt niet dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat de gemachtigde van verzoeker reeds bekend was als gemachtigde in de bewaringsprocedure kan aan het voorgaande niet af doen, omdat hieruit niet kan worden afgeleid dat daarom ook moet worden uitgegaan van dezelfde gemachtigde in eventuele andere procedures van dezelfde vreemdeling. Uit de e-mailwisseling van mr. T. der Bedrosian blijkt niet wanneer hij heeft doorgegeven niet de gemachtigde te zijn, zodat de rechtbank niet kan vaststellen of en zo ja wanneer de minister had kunnen weten dat hij niet van de informatie van de Raad voor Rechtsbijstand kon uitgaan. Van onzorgvuldig handelen is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken.
Voor wat betreft het horen van verzoeker, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Op basis van artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening is de lidstaat in beginsel gehouden een persoonlijk onderhoud te voeren met de verzoeker om internationale bescherming die valt onder de reikwijdte van de verordening. Artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening biedt de mogelijkheid om van een onderhoud in persoon af te zien als de lidstaat al over voldoende informatie beschikt om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de aanvraag, mits aan de verzoeker de mogelijkheid wordt geboden om alle verdere informatie te verstrekken die relevant is om op correcte wijze de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen. Uit paragraaf C1/2.6 van de Vc volgt dat als een Dublinggehoor heeft plaatsgevonden, maar er daarna nieuwe feiten en omstandigheden naar voren komen die onderzoek of een aanvullend Dublingehoor behoeven, de minister waar nodig (schriftelijk) contact opneemt met de vreemdeling en/of hem uitnodigt voor een aanvullend Dublingehoor.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, namelijk de wijziging van het land waarnaar verzoeker volgens de minister moet terugkeren. De minister heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat hij in het onderhavige geval kon volstaan met het bieden van een termijn voor een schriftelijke reactie op de brief van 16 april 2026. Door verzoeker twee weken de tijd te geven om te reageren op deze brief is voldaan aan artikel 5 van de Dublinverordening en mocht de minister het gehoor achterwege laten.
Tot slot verzoekt verzoeker om onmiddellijke opheffing van de bewaring. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bewaring van verzoeker in onderhavige procedure niet ter toetsing voor ligt.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.